Ik ben een doopvontschelp

Hey daar! Ik ben de doopvontschelp, maar word ook wel de reuzenmossel genoemd. Ik ben ontzettend groot. Sterker nog: het grootste weekdier van de oceaan! Een weekdier is een dier zonder wervelkolom, met een skelet, gemaakt van kalk aan de buitenkant. Dit skelet noemen we ook wel een schelp. Ik word omringd door niet één, maar twee schelpen. Ik kan een lengte bereiken van wel anderhalve meter en een gewicht van 250 kilo. Ook kan ik erg oud worden. Misschien nog wel ouder dan jij! Wij, doodvontschelpen worden namelijk ongeveer honderd jaar oud! Ik kom voor in de zuidelijke Grote Oceaan en de Indische Oceaan.

Net zoals veel schelpen, ben ik hermafrodiet. Dit betekent dat ik zowel man als vrouw ben. Tijdens de eerste twee tot zes jaar van mijn leven produceer ik alleen zaadcellen en de rest van mijn leven maak ik eicellen aan! Ik kan een miljard eitjes per keer spuiten! De bevruchting vindt niet binnen mijn lichaam plaats, maar daarbuiten. In het zeewater dus. Dit betekent dat de zaadcellen van een doopvontschelp uitgespoten worden over de eicellen van een andere schelp. Ik ben de eerste tijd van mijn leven een larve. Als ik heel jong ben, ben ik zo licht, dat ik door het water zweef. Maar na een tijdje, wordt mijn schelp zwaarder en zak ik naar de zeebodem. Daar groei ik uit tot een volwassen dier.

Kokkels

 

 

Wij, doopvontschelpen worden vaak vergezeld door algen. Zij zorgen ervoor dat we genoeg voedingsstoffen binnen krijgen. Mijn andere voedsel krijg ik door voedingsstoffen uit het water te filteren met mijn kieuwen. Misschien heb je op het strand in Nederland of België wel eens kokkels gevonden. Dit is eigenlijk een mini-versie van mij. Wist je dat we dezelfde voorouders hebben? Door de internationale unie voor natuurbescherming word ik als ‘kwetsbaar’ gezien. In de laatste paar jaar is het aantal van ons sterk afgenomen. Dit komt door overbevissing. We worden gevangen om gegeten te worden of voor gebruik in aquariums.

 

Tekst: Annika Verdam

ik ben een tijgerhaai

Hé daar, ik ben de tijgerhaai! Mijn naam heb ik te danken aan de tijgerstrepen op mijn rug en de zijkant van mijn lijf. Vooral bij jonge haaien zijn deze strepen goed te zien, het vervaagt als ik ouder word. Het is een vorm van camouflage. Ik kan wel 5,5 meter lang worden. Heel soms worden mijn soortgenoten zelfs iets groter! Er zijn zelfs tijgerhaaien van negen meter gespot, gaaf hè? Mijn lichaam is grijs met wit en ik heb een korte, stompe snuit. Ik kan tot wel duizend kilo wegen. Hoe oud ik kan worden is een raadsel. Daar zijn namelijk nog niet veel cijfers over bekend. Maar mensen denken dat ik een leeftijd van ongeveer twintig jaar kan bereiken. Ik heb hele lange borstvinnen. Ze lijken een beetje op vleugels. Door deze vinnen kan ik snel zwemmen en af en toe ‘sprintjes’ trekken. Mijn hoge rugvin zorgt ervoor dat ik heel snel om mijn eigen as kan draaien. Dit helpt mij bij het jagen.

Eten zoeken doe ik meestal in de nacht. Het maakt mij niet zoveel uit hoe mijn maaltijd eruitziet. Bijna alle dieren die in mijn buurt komen eet ik op! Ik kan ontzettend hard bijten. Mijn tanden zijn zo sterk dat ik zelfs de schilden van schildpadden kan kraken. Verder vind ik vissen, zeevogels, andere haaien, inktvissen en zeehonden ook lekker! Ik ben dus echt een alleseter. In de magen van gevangen tijgerhaaien is van alles gevonden: nummerborden, geweien, delen van honden en zelfs hele autobanden. Daarom worden we ook wel eens ‘vuilnisbakken met vinnen’ genoemd.

De meeste haaien zijn helemaal niet gevaarlijk voor mensen, maar voor mij moet je toch een beetje uitkijken hoor! Na de witte haai heb ik het record van aanvallen op mensen op mijn naam staan, maar als mensen die aan het duiken of zwemmen zijn, rustig rechtop in het water staan, zullen we die met rust laten. Als ze horizontaal zwemmen denken we al gemakkelijk dat het een dier in nood is.

Het grootste deel van mijn leven ben ik in mijn eentje op zoek naar eten. Ik leef dus niet in groepen. Ik kom voor in de tropische en subtropische zeeën en heel af en toe word ik ook wel eens in de Middellandse Zee en Noordzee gespot! Eigenlijk horen wij niet thuis in de Europese zeeën, maar door klimaatverandering en overbevissing zijn we soms ook te vinden in deze zeeën. Ik zwem graag lekker diep in de oceaan. Meestal op een diepte van ongeveer 140 meter! Wij, tijgerhaaien, planten ons op een hele bijzondere manier voort. De eieren van de vrouwtjes worden namelijk in de baarmoeder van de moederhaai uitgebroed, daarna worden ze als embryo’s geboren. De moederhaai is 16 maanden zwanger en kan tot wel tachtig jongen in één keer krijgen! Veel hè?

Tekst Annika Verdam

Ik ben de grote fregatvogel

Een mannetje heeft een mooi nest gebouwd en lokt nu een vrouwtje met zijn opvallende rode borstzak.

Hey daar! Ik ben de grote fregatvogel. ‘Huh? Maar vogels zijn toch geen zeedieren?’ hoor ik je denken. Toch is dat wel zo! Ik ben namelijk een zeevogel. Dit is een vogelsoort die zich heeft aangepast op een leven in de buurt van de kust of in de zee. Wij vangen ons voedsel dus voornamelijk in de zee. Ik kom voor in tropische delen van de oceaan, zoals de Galapagos Eilanden! Maar ook ben ik te vinden in de Indische Oceaan en in het Zuiden van de Atlantische Oceaan.

Ik ben lichtgebouwd, maar zoals je misschien al in de naam hebt gezien ben ik best wel groot! Ik kan tot 105 centimeter lang worden en heb een spanwijdte van 205 tot 230 centimeter. Ik heb lange, smalle en puntige vleugels waarmee ik perfect over de warme zeeën kan vliegen. Bij onze soort is het vrouwtje groter dan het mannetje. Vrouwtjes hebben witte veren op hun borst en die van het mannetje zijn vaak paars-groen van kleur. Ook hebben vrouwtjes een rode oogring, die mannetjes niet hebben. In het broedseizoen kan het mannetje zijn opvallende rode zak op zijn borst uitzetten. De hele borst is dan roodgekleurd. Hiermee probeert hij vrouwtjes te versieren!

Toen de Duitse bioloog Johan Friedrich Gmelin in 1789 (232 jaar geleden!) mij voor het eerst beschreef, dacht hij dat ik een kleine pelikaan was. Hij gaf me daarom de wetenschappelijke naam Pelecanus minor (kleine pelikaan). Toen andere onderzoekers mijn naam later wilden aanpassen, mochten zij volgens de regels van de naamgeving van dieren alleen het geslacht aanpassen en niet het woordje minor (klein). Daarom heet ik nu Fregata minor. Terwijl ik dus helemaal niet zo klein ben!

 

Het is gelukt! Een vrouwtje is op de prachtige rode “ballon” van het mannetje afgekomen!

Wij, grote fregatvogels, gaan vaak op reis. Maar we keren altijd terug naar onze geboortekolonie om te broeden. Ik vind mijn voedsel tijdens mijn vliegreisjes over het oceaanoppervlak. Ik zoek naar voedsel binnen 80 kilometer van mijn broedkolonie of rustgebied. Vis vind ik erg lekker! Mijn lievelingsvisjes zijn vliegende vissen. Deze springen uit het water, en kan ik makkelijk vangen. Ook maak ik gebruik van scholen tonijn of dolfijnen die kleine vissen naar het oppervlak stuwen. Dit is een vangtechniek van veel roofzuchtige zeedieren, maar is natuurlijk ook erg handig voor mij! Ik land trouwens niet op het wateroppervlak. Als ik dit doe, is het erg lastig om weer op te stijgen. Naast vissen, ben ik soms ook op jacht naar kuikens van andere zeevogels. Uit onderzoek is gebleken dat alleen vrouwelijke of jonge fregatvogels op deze manier jagen. Gek hè?

We hebben een enorm verspreidingsgebied. Dit betekent dat we op veel verschillende plekken op de wereld voorkomen. Hierdoor is de kans op uitsterven heel klein. De grootte van onze populatie gaat wel achteruit, maar dit is minder dan 3,5 procent per jaar. Om deze reden staat de grote fregatvogel als niet bedreigd op de Rode Lijst van de Internationale Unie voor Natuurbescherming.

 

 

 

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel

Ik ben een Rode Rotskrab

Galapagoszeeleeuw in een getijdepoel met verschillende Rode rotskrabben op vulkanische zwarte lava.

Hey daar! Ik ben de Rode rotskrab. Mijn echte naam is de Grapsus grapsus. Maar dat is een wetenschappelijke naam. Omdat dit Latijn is, is het misschien een beetje moeilijk uit te spreken. Onze soort is een van de meest voorkomende krabsoorten van de westkust van Mexico, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika zoals bij de Galapagoseilanden in de stille oceaan. Maar we leven ook op de Canarische eilanden en langs de westkust van Afrika!

We zien er net zo uit als de meeste krabben die je misschien wel eens bent tegengekomen. We hebben tien poten, waarvan de twee voorste poten kleiner en dikker zijn. Dit zijn onze klauwen. Ook wel scharen genoemd. Hiermee kunnen we onszelf verdedigen!
De andere poten zijn groot en plat, waarvan alleen de toppen de grond raken. We lopen dus op onze tenen! Ons rugschild is iets groter dan acht centimeter. Jonge Rode rotskrabben zijn zwart of donkerbruin gekleurd en zijn op deze manier goed gecamoufleerd op de vulkanische eilanden. De kusten van deze eilanden zijn namelijk bedekt met zwart zand door lava. Hierdoor kunnen vijanden ons niet goed zien. Volwassen krabben kunnen verschillende kleuren hebben. Sommige zijn bruin-rood en anderen zijn meer roze of geel van kleur. Maar de kleuren rood en oranje zijn vooral aanwezig. Vandaar onze naam: de Rode rotskrab. Mannetjes hebben een dunne buik, maar zijn wel groter dan vrouwtjes, die een brede buik hebben waarin ze hun eieren dragen.

Twee vechtende Rode rotskrabmannetjes.

Ik leef tussen de rotsen en stenen van de kusten. Mijn dieet bestaat vooral uit algen en andere planten of dode dieren. Mijn klauwen gebruik ik om af en toe dieren met een schelp, zoals slakken en mosselen te eten. Ik ben een lenige krab met een ontzettend snel reactievermogen. Ook kan ik goed springen. Hierdoor ben ik moeilijk te pakken. Ik word niet vaak door mensen gegeten maar word wel gebruikt als aas door vissers. Hierdoor vangen ze namelijk mijn grootste vijand: de Goudgeaderde murene. Dit is een vis die graag op mij jaagt. Wist je trouwens dat onze soort voor het eerst werd verzameld door Charles Darwin? Dit was een natuurwetenschapper die vooral bekend is geworden door zijn evolutietheorie.

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel

Ik ben een zeeleguaan

Hoi daar, ik ben de zeeleguaan! Ik ben een hagedis, maar wel een hele bijzondere! Ik ben de enige hagedis die zijn voedsel uit de zee haalt, ik eet namelijk alleen algen. Ik ben dus vegetariër! Ook leef ik in grote groepen, terwijl andere hagedissen dat vaak niet doen. O ja, ik kom trouwens alleen voor op de vulkanische rotsen van de Galapagos Eilanden. Dit is een eilandengroep in de stille oceaan. Ik weeg maximaal 15 kilo en ben gemiddeld 1,4 meter lang. Wist je dat mijn staart heel lang is? Mijn totale lengte bestaat voor meer dan de helft uit m’n staart. De kleur van mijn lichaam is zwart, maar mijn buik is wit. Verder word ik grijzer als ik ouder word, net als mensen! Ik heb een driehoekige kop, mijn lichaam is plat aan de zijkant en ik heb een duidelijke rugkam. Dit zijn een soort stekels op mijn rug. Het lijkt wel een beetje op een hanenkam en het zorgt ervoor dat ik sterk ben! Vergeleken met andere leguanen heb ik best wel een stompe kop. Dit komt omdat ik zo makkelijker algen van de rotsen kan schrapen. Ook zijn mijn tanden een beetje hoekig, waardoor ik de glibberige algen goed kan vastpakken. Ik heb korte poten, maar lange tenen en nagels. Deze helpen mij om me vast te houden aan de rotsbodem onder het water tijdens het zoeken naar eten. Mijn poten gebruik ik niet om te zwemmen. Ik maak namelijk een slangvormige beweging met mijn lichaam en staart om vooruit te komen. De poten houd ik dan dicht bij mijn lichaam. Ik ben overdag actief. Als ik niet op zoek ben naar eten, lig ik lekker te zonnebaden op een rots. Het is namelijk belangrijk dat ik goed opwarm voor ik weer het water in duik. Ik ben koudbloedig, dus als het ’s nachts of in de avond erg koud is, is het moeilijk om mijn lichaam snel te kunnen bewegen. Daarom schuil ik ’s nachts vaak in de spleten tussen de rotsen. Dat is ook de reden dat ik graag opwarm in de zon, anders kan ik namelijk niet goed bewegen in het koude water en zal ik verdrinken. Een duik duurt trouwens gemiddeld vijftien tot twintig minuten.

In december en januari begint de paartijd. De mannetjes worden dan een beetje bozig op elkaar en maken een territorium. Dat is een gebied waar alleen zijzelf en de vrouwtjes kunnen komen. Als er andere mannetjes in hun territorium komen, worden ze weggejaagd door ze met de kop weg te duwen. Als een mannetje met een vrouwtje heeft gepaard, worden de eieren onder de grond bewaard. Het vrouwtje graaft dan een gang onder de grond met aan het einde een kleine kamer. Hierin worden de eieren afgezet. De gang wordt dan afgedekt met zand en het vrouwtje blijft bij haar nest waken. Het duurt drie maanden voordat de eieren uitkomen. Na die drie maanden ziet het vrouwtje er zwak en mager uit. Ze heeft namelijk al die tijd niets kunnen eten! Uit het ei zijn de jongen ongeveer 23 centimeter lang. Ze hebben veel vijanden, zoals haaien, slangen en vogels. De jongen gaan nog niet de zee in, maar eten zeewier van de kust.

Op het land heb ik geen natuurlijke vijanden. Daarom blijf ik graag zo veel mogelijk op het land. In de zee heb ik namelijk wel vijanden, zoals haaien. Maar mijn grootste vijand is misschien wel de mens. Mijn huid wordt namelijk gebruikt om leer van te maken. Daarnaast ben ik ook helemaal niet bang voor mensen en dit is de reden dat ik regelmatig word meegenomen als huisdier.

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel

ik ben een orka

Hey daar! Ik ben een orka. In het Engels word ik de killer whale genoemd. Dit betekent: moordwalvis. Ze noemen ons zo omdat we in groepen op jacht gaan naar prooien. We gaan met een groep walvissen achter ons prooi aan, omsingelen het dier en vallen zo onze prooi aan. De prooi wint bijna nooit. Ik sta namelijk bovenaan de voedselpiramide en eet vis en zeevogels, maar ook grotere dieren zoals zeehonden, walvissen en haaien. Ik eet per dag zo’n vijf procent van mijn lichaamsgewicht. Dat komt neer op 400 kilo voedsel.

Ik heb dus geen vijanden. Of nou, eentje dan: de mens. Vroeger zagen vissers ons als concurrent en schoten ons dood. Ook dacht men dat orka’s gevaarlijk waren voor mensen, dat komt omdat ze ons toen nog niet goed kenden. Er is nog nooit een mens gedood door een orka in het wild. Vroeger werden we vaak levend gevangengenomen en in een dolfinarium gezet. Wij, orka’s zijn makkelijk te trainen en zijn daardoor populair in dolfinaria en attractieparken. Maar we zijn wilde dieren en zijn niet gewend aan de kleine bassins waar we inzitten. In het wild zwemmen we namelijk vele kilometers per dag. Orka’s in gevangenschap krijgen vaak een scheve rugvin omdat ze meer tijd aan de oppervlakte doorbrengen. De meeste orka’s die nu nog leven in gevangenschap zijn geboren in dolfinariums en hebben nooit gezwommen in de zee.

 

Wist je dat ik eigenlijk geeneens een echte walvis ben? Ik ben namelijk een dolfijn. En niet zomaar een dolfijn, maar de grootste dolfijn die er bestaat. We zijn dus wel familie van de walvissen. Communiceren kunnen we niet alleen met onze eigen soort, maar ook met tuimelaars! Dat zijn ook dolfijnen. Wij kunnen ons eigen geluid namelijk afstemmen op hun geluid. Zo praten we met elkaar. Groepen kunnen bij ons uit twee tot wel negentig orka’s bestaan!Het oudste vrouwtje heeft de leiding. Als er een kalfje overlijdt, neemt de moeder de baby orka soms mee om te voorkomen dat hij zinkt. Meestal duurt dit ongeveer een week en wordt hij daarna toch losgelaten. Zielig hè!

 

Ik ben heel gemakkelijk te herkennen. Van boven ben ik zwart, van onderen wit en boven mijn ogen heb ik een witte vlek. Iedere orka heeft een uniek patroon, bijzonder hè? Mijn lichaam is best wel stevig en ik heb een grote rugvin, die tot wel twee meter hoog kan zijn. Daarnaast heb ik een stompe snuit. Een orka heeft net als jij longen. Dat betekent dat ik steeds naar boven moet om adem te halen. Hierdoor slaap ik nooit helemaal. Ik rust uit door mijn twee hersenhelften om de beurt te laten slapen.

Mannetjes zijn gemiddeld 7,4 meter lang en worden ongeveer 50 jaar in het wild. Vrouwtjes zijn gemiddeld 6,2 meter lang en worden gemiddeld 80 à 90 jaar oud in het wild. Bij de geboorte zijn de kalfjes al 2,4 meter lang. Dat is misschien wel twee keer zo groot dan dat jij nu bent.

Ik kom voor in bijna alle wereldzeeën. Van de tropen tot in de koude wateren. Omdat ik dus overal voorkom, is het lastig om te weten hoeveel orka’s er zijn in de wereld. Maar er wordt geschat dat we minimaal met 50.000 zijn!

 

tekst: Annika Verdam

Ik ben een citroenhaai

Hey daar! Ik ben een citroenhaai.

Ik kom voor in de subtropische wateren van de Grote en Atlantische Oceaan. Mijn huidskleur kan variëren van donker olijfkleurig tot geelbruin. Zoals je misschien al dacht, is mijn naam vernoemd naar de kleur van mijn huid! Ik heb een korte maar brede snuit, kleine ogen en een gebogen bek. Ik heb puntige tanden, hiermee grijp ik mijn prooien. Mijn dieet bestaat onder andere uit kreeftachtigen, weekdieren, zeevogels, vissen en roggen. Jonge citroenhaaien eten ook tijgergarnalen en strandkrabben. Mijn zicht is erg belangrijk bij het vangen van prooien. Met mijn goede ogen kan ik kleur en details perfect onderscheiden. Ook sta ik bekend om mijn fantastische reukvermogen. Wij worden vaak vergezeld door remora’s. Dit zijn vissen die zich met een zuignap, die op hun achterhoofd zit, vastzuigen aan mijn lichaam. Ze smullen van de restjes van mijn prooien en zorgen dat ik gezond blijf door mijn parasieten op te eten.

 

Wij, citroenhaaien, groeien ons hele leven door. Gemiddeld groeien we zo’n 0,54 centimeter per jaar. Ik kan tot wel 3,4 meter lang worden! Dat is misschien wel tweeëneenhalf keer zo groot als jij! Ik kan een gewicht van 185 kilo hebben. De oudste haai in gevangenschap is 25 jaar geworden, maar uit onderzoek blijkt dat wij in het wild wel ouder dan 30 jaar kunnen worden. We leven meestal in ons eentje, maar af en toe leven we ook in groepen van maximaal twintig haaien. Wel leven mannelijke en vrouwelijke haaien vaak apart van elkaar. Afgezien van het feit dat volwassen citroenhaaien af en toe hun jongen opeten, heb ik geen andere bekende vijand, behalve natuurlijk de mens, die ons vangt vanwege ons vlees en onze vinnen die levend bij ons afgesneden worden. We hebben dan verschrikkelijk veel pijn en gaan binnen twee dagen dood! De vinnen gaan dan naar China waar ze in de soep gegooid worden: haaienvinnensoep!  Ik ben de hele dag actief, maar ik ben het meest actief als het donker wordt en in de ochtend. Wij, citroenhaaien, hebben een belangrijke rol gespeeld in de wetenschap. We kunnen namelijk relatief goed leven in gevangenschap, zodat we onderzocht kunnen worden. Zeebioloog Dr. Samuel Gruber van de Universiteit van Miami bestudeert al jaren het gedrag van ons. Hij kwam erachter dat wij in een soort van trance keren als we op onze rug gedraaid worden. Soms duurt dit wel vijftien minuten! Het is alsof we flauwvallen. Samuel Gruber denkt dat dit te maken heeft met een verstoring van het evenwicht van de zintuigen.

 

Wij worden vaak gevangen voor ons vlees, dat wordt gezouten en gedroogd. Onze vinnen worden dus gebruikt voor haaienvinnensoep en worden voor veel geld verkocht. Ten slotte wordt onze huid gebruikt voor de productie van leer. Dat moet snel stoppen, we horen namelijk bijna tot de bedreigde diersoorten! Daarom zijn we heel blij met Sea First die proberen er alles aan te doen om de vangst van haaien te verbieden!

 

Om het jaar baart de vrouwelijke citroenhaai vier tot zeventien jongen, nadat zij tien tot twaalf maanden zwanger is geweest. Vrouwelijke citroenhaaien keren terug naar hun geboorteplaats om daar te bevallen. Direct na de geboorte, verlaten de jongen de moeder. Ze zijn dus helemaal op zichzelf aangewezen! Jonge citroenhaaien leven vaak in ondiep water zoals mangrovebossen. Hier is het namelijk veiliger. Er leven daar immers minder vijanden. Haaien die al iets ouder zijn (vanaf 2-3 jaar) verplaatsen zich naar wateren bij het kustrif of barrièrerif. Volwassen citroenhaaien zwemen uit naar andere gebieden van maximaal 92 meter diep.

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel

ik ben een hagedisvis

Hey! Als je naar mijn hoofd kijkt, zie je misschien dat ik wel een beetje op een hagedis lijk! Daarom noemen ze mij de hagedisvis. Ik leef in modderige en zanderige gebieden. Dit vind ik prettig, omdat ik me dan makkelijk kan begraven in de bodem, zodat een prooi me niet ziet als ik hem in de gaten houd. Ook kan ik me op die manier verstoppen voor roofdieren, zoals de Koraalduivel. We leven meestal in ondiepe wateren (maximaal 400 meter diep) dichtbij de kust. Ik kom voor in tropische en subtropische gebieden over de hele wereld.

Ik heb een slank, langwerpig lichaam en op mijn kop zitten schubben. Ik kan maximaal 60 centimeter lang worden. Wij, hagedisvissen, zijn er in allerlei verschillende kleuren: rood, blauw, grijs, groen en nog veel meer. Door mijn gevlekte uiterlijk, kan ik goed opgaan in mijn omgeving. Dit heet camoufleren. Hierdoor kunnen vijanden mij niet gemakkelijk vinden.

 

 

 

Iets wat heel bijzonder aan mij is, zijn mijn tanden. Het zijn er niet alleen veel, ze zijn ook nog eens heel scherp. Zelfs op mijn tong zitten kleine tandjes! Gaaf hè? Ik ben niet gevaarlijk voor snorkelaars of duikers. Hoewel mensen soms schrikken van mijn tandjes, zal ik ze niets aandoen. Ik blijf meestal heel stil zitten, zodat de mensen mij niet zien. Maar als ik toch merk dat ze te dichtbij komen, schiet ik snel weg, zodat ik me op een andere plek onzichtbaar kan proberen te maken door mezelf bijvoorbeeld in te graven.
Op mijn menu staan voornamelijk vissen en kleine weekdieren, zoals garnalen en krabben. Ik wacht op mijn prooi terwijl ik voor een deel begraven ben in het zand. Op die manier ziet mijn prooi me niet. Als ze wat dichterbij zijn gekomen, sla ik toe. Meestal verslind ik mijn prooien in hun geheel. Er is niet heel veel bekend over onze paargewoonten. Maar meestal worden we in paren aangetroffen. In het voorjaar worden we vaak in groepen gezien. Als het vrouwtje eitjes heeft gelegd, kijkt ze er niet meer naar om. De kleintjes moeten het dus zelf zien te redden!

 

 

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel

 

ik ben een sepia

Hallo daar, ik ben een Sepia, ook wel zeekat genoemd! Hoewel ik een inktvis ben, ben ik verre familie van de slak! Een slak is namelijk net als ik een weekdier. Dat betekent dat wij geen botten en wervelkolom hebben. In plaats daarvan hebben wij een langwerpige schelp in ons lichaam. Dit is ons rugschild. Deze spoelen nadat wij overlijden vaak aan op de stranden in België en Nederland en wordt ook wel zeeschuim genoemd. Door vogelliefhebbers wordt zeeschuim gebruikt om te geven aan kanaries. Er zit namelijk veel kalk in en is gezond om aan te knabbelen. We leven vooral in de ondiepe zee en langs de kusten. Ook aan de Nederlandse en Belgische kust komen we veel voor.

Met mijn twee vangarmen probeer ik een prooi te pakken die tussen deze koralen zit.

Op mijn menu staan krabben en garnalen. Vooral in de nacht ga ik op jacht. Onder mijn schelp zit mijn mantel. Door met mijn mantel golvende bewegingen te maken, zwem ik. Naast mijn vier kortere tentakels, heb ik twee lange vangarmen. Hiermee grijp ik mijn prooi, deze bijt ik dan kapot met mijn bek. Weet je wat bijzonder is? Mijn bek lijkt een beetje op de bek van een vogel. Het is dus een soort snavel. Tijdens de jacht zwem ik langzaam over de zeebodem, terwijl ik waterstraaltjes blaas over het zand. Als ik geluk heb, schrikken de garnaaltjes van mij en komen ze tevoorschijn.

Wij kunnen iets heel gaafs met onze huid. Net als een kameleon kunnen wij veranderen van kleur. Dit komt doordat wij veel pigmentcellen in onze huid hebben zitten. Wist je dat ik wit word als ik chagrijnig ben? Wij kunnen trouwens nog iets bijzonders! We kunnen namelijk ook veranderen van vorm. Ons lichaam kan bijvoorbeeld stekels en tentakels vormen om zo beter op te gaan in de omgeving waar we ons willen verstoppen. Dit doen wij zodat onze vijanden, zoals roggen en haaien ons niet kunnen vinden. Als we jong zijn, zijn we nog niet zo goed in camouflage. Maar daar hebben we een oplossing voor gevonden. We verstoppen ons dan namelijk onder het zand van de zeebodem. Als we bedreigd worden, spuiten we vaak inkt, om de vijand in verwarring te brengen.

Dit is mijn normale kleur.

En dit is mijn kleur als ik bang of boos ben, bijvoorbeeld als een onderwaterfotograaf heel dicht bij me komt.

In het voorjaar gaan wij paren. Na de paring blijft het mannetje bij het vrouwtje totdat de 200 tot 300 eitjes uitgebroed worden. We knopen de eieren vaak aan oude visnetten, stokken of takken. Na acht weken worden de baby sepia’s geboren. De jongen zijn ongeveer één centimeter groot, maar lijken precies op hun ouders. Sepia’s worden ongeveer een halve meter groot. Er zijn heel veel soorten sepia´s, de kleinste soort is maar een paar centimeter groot. De mannetjes worden twee tot drie jaar, en vrouwtjes ongeveer één jaar.

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel

Ik ben een tarpoen

Hey daar! Wat glans ik mooi hè? Als je naast me zwemt lijkt het net alsof mijn schubben van zilver zijn gemaakt! Ik ben een tarpoen en ze noemen mij ook wel eens de zilveren koning. Ik ben misschien wel groter dan je vader of moeder. Ik kan namelijk 2,5 meter lang worden! Omdat ik zo groot ben, weeg ik soms wel 160 kilo. Zwaar hè? Maar bang hoef je niet te zijn als je me tegenkomt. Op mijn menukaart staan namelijk vissen zoals sardines en ansjovissen, geen mensen! In tegenstelling tot veel andere grote roofvissen, ben ik te vinden in ondiep water en ben ik niet erg verlegen.

Ik behoor tot de straalvinnigen. In mijn vinnen zitten namelijk stralen. Dit zijn een soort van graten die mijn vinnen ondersteunen, zodat ik beter kan zwemmen! Ik kan overleven in gebieden waar maar weinig zuurstof in het water zit. Ik heb namelijk een aangepaste zwemblaas waardoor ik lucht aan de oppervlakte kan opnemen, opslaan en vervoeren naar mijn slokdarm. Zoals je misschien wel kunt zien zit mijn bek bovenop mijn hoofd. Ik heb een soort pruillip, waardoor het lijkt alsof ik een beetje sip ben. Maar dat is niet zo hoor. Mijn onderkaak is gewoon erg groot. Met mijn tanden die dicht op elkaar staan, kan ik prooien met een pantser, zoals krabben kraken. Hoewel mijn gebit er niet voor gemaakt is, eet ik ook wel eens inktvissen. Deze slik ik dan zonder te kauwen of te bijten door.

Wij tarpoens kunnen wel 50 jaar oud worden. Maar dat geld alleen voor de vrouwtjes. De mannetjes worden maar 30 jaar. Helaas bereiken we die leeftijd lang niet allemaal. Er wordt namelijk op ons gejaagd. Niet voor voedsel, want ons vlees smaakt niet zo lekker. Maar met name door sportvissers. Omdat wij krachtig en vechtlustig zijn zien ze het als uitdaging op ons te pakken te krijgen. Als we eenmaal aan een haak zitten, duurt het soms wel uren om ons naar binnen te hengelen. We raken dan vermoeid en kunnen doodgaan als we weer worden teruggezet, omdat we dan niet meer in staat zijn om voldoende lucht te happen of niet snel genoeg weg kunnen zwemmen als er een haai op ons af komt. De haai is mijn grootste vijand als ik volwassen ben. Maar als jongere vis moet ik ook oppassen voor vogels, bruinvissen en alligators in rivieren.

We komen voor in het warmere water van de Atlantische Oceaan. Bijvoorbeeld rond Bonaire en in Brazilië. Als een tarpoen vrouwtje zes jaar is, kan ze eitjes krijgen. Ze zet wel meer dan 10 miljoen eitjes per keer uit! Dat moet ook wel, want de meeste eitjes worden opgegeten door roofdieren. Het uitzetten van de eitjes gebeurt in de open zee. De eieren spoelen naar de kust toe en groeien in zoet water uit tot vissen, die als ze iets ouder zijn weer naar de zee terugzwemmen. Want in dat zoutere water voelen we ons meer thuis als we volwassen zijn.

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel