ik ben een koraalklimmer

Hey daar! Ik ben een koraalklimmer, een vissensoort die hoort bij de baarsachtigen. Ik leef tussen het koraal op de bodem van de tropische, ondiepe wateren. Ik vind het heel fijn om urenlang op mijn plek te blijven en te wachten tot er een prooi langs zwemt. Meestal zoek ik dan een mooi, hoog plekje op waar ik goed kan zien wanneer er een visje voorbijkomt. Garnalen en kleine vissen eet ik het liefste. Misschien heb je het al gezien aan mijn naam, maar ik doe aan klimmen in plaats van zwemmen. Ik ben best wel klein, niet groter dan 7 tot 15 centimeter. Maar er zijn ook soorten die wel 60 centimeter worden, zoals bijvoorbeeld de reuzenkoraalklimmer.

Ik heb een grote kop en een langwerpig lichaam. Aan de uiteinden van de vinnen op mijn rug zitten stekeltjes. Het lijkt net alsof ik een hanenkam heb! Ik heb geen zwemblaas, dat betekent dat ik niet door het open water kan zwemmen. Ik kan alleen korte afstanden afleggen van koraal naar koraal. Maar zelfs als ik dat doe moet ik soms even een rustpauze nemen. Mijn grote borstvinnen gebruik ik om mij vast te houden aan stenen of takken. We kunnen allerlei verschillende kleuren hebben. Sommige van mijn soortgenoten zijn rood, anderen oranje of geel. Door mijn mooie kleuren, ben ik een populaire vis in aquariums. Gelukkig zijn wij over het algemeen te klein om als voedsel gevist te worden, dus daar hoeven we niet bang voor te zijn, maar de aquariumhandel is wel een bedreiging voor ons. Als een jager van de aquariumindustrie ons vindt, dan worden we onderwater bespoten met een verdovend middel en zo zijn we gemakkelijk te vangen. Daarom zijn we toch met steeds minder dieren op het koraalrif te vinden.

 

Ik leef in kleine groepen, in een haremstructuur. Dit betekent dat er één mannelijke vis is en meerdere vrouwelijke vissen, of andersom. Wij, koraalklimmers paren vaak in de avondschemering. Het paren gaat op een bijzondere manier. De eieren en zaadcellen worden namelijk in het water losgelaten. De bevruchting vindt dus buiten ons lichaam plaats! Dat betekent dat de vader en moeder onze jongen niet zullen verzorgen als ze geboren worden. Ze moeten het helemaal alleen doen. Er is nog iets aparts aan ons. Veel wetenschappers gaan er namelijk vanuit dat sommigen van ons van geslacht kunnen veranderen. Omdat er geen verschillen tussen de geslachten te zien zijn, denken ze dat we geboren worden als vrouwtjes. De grootste en sterkste dieren kunnen zich in mannetjes veranderen terwijl de anderen vrouwtjes blijven.

 

 

 

Tekst Annika Verdam

Foto´s Dos Winkel

Ik ben de keizerspinguïn

Hallo daar! Ik ben de keizerspinguïn. Misschien ken je me wel van de film Happy Feet! De keizerspinguïn is de grootste pinguïnsoort op onze planeet. Ik kan ongeveer 110 centimeter lang worden. Dat is ongeveer net zo lang als een kindje van 4 jaar. Wij, keizerpinguïns worden ongeveer 20 jaar oud. Maar wist je dat er ook meldingen gedaan zijn over pinguïns die wel 40 jaar werden?

Wat is jouw lievelingseten? Dat van mij is inktvis. Of nee, toch schaaldier, zoals krill. Ik vind vis trouwens ook wel lekker. Oeps, ik kan niet kiezen! Om deze dieren te vangen duik ik soms tot wel 550 meter diep in de zee. Doordat mijn hartslag verlaagt, kan ik een half uur onder water blijven! Door die lagere hartslag verbruik ik namelijk minder zuurstof. Hoewel ik onderwater een snelle zwemmer ben, ben ik op het land een onhandige waggelaar. Ik glij snel weg en val zo nu en dan ook wel eens om.

krill

Mama pinguïn legt in de herfst een ei. Dit doen ze op het ijs, ver van de zee vandaan. Papa broedt het ei in de poolwinter bibberend uit. Het is ongelofelijk koud. Soms wel 60 graden onder nul. Mensen zouden dit soort temperaturen alleen overleven als ze speciale kleren aan hebben en ademen door een soort masker. Maar de pinguïns moeten het doen met hun veren en vetlaag. Deze vetlaag wordt steeds iets minder dik, omdat de pinguïns maandenlang niet kunnen eten. Ze moeten namelijk hun ei beschermen tegen de kou. Het ei ligt op de voeten en onder een warme huidplooi. Om de koude wind te overleven staan de pinguïns dicht bij elkaar en blijven ze we altijd in beweging. Zo zorgen ze we ervoor dat niet steeds dezelfde pinguïns aan de buitenkant staan. Tijdens deze broedperiode is het vrouwtje in de zee. Hier probeert ze een vetlaag aan te leggen door veel te eten. Na twee maanden keert de mama terug en gaat ze zorgen voor het kuikentje. De mannetjes zijn dan erg moe en hebben ongeveer de helft van hun gewicht verloren. Het is dan hun beurt om eten te vangen in de zee. De jongen blijven het hele jaar in het water, totdat ze vier jaar zijn. Dan gaan ze zelf ook broeden in de winter.

Pinguïns staan erom bekend dat we monogaam zijn. Dat betekent dat we ons hele leven bij één partner blijven. Bij ons, keizerspinguïns werkt dat iets anders. Na een jaar gaan de meeste koppels uit elkaar. Vaak paren we dus elk jaar met een andere partner.

Door de klimaatverandering is er minder ijs. Hierdoor kunnen we minder vaak uitrusten als we onze reis naar de broedplaats maken. We zijn gelukkig nog niet een bedreigde diersoort, maar de Internationale Unie voor Natuurbescherming (IUCN) ziet ons wel als “gevoelig”. Dit betekent dat het aantal keizerspinguïns wel minder wordt, maar het valt gelukkig nog mee. Een van de grootste bedreigingen is de Krill-visserij. Krill is een van onze belangrijkste voedselbronnen, net als dat van walvissen.

Tekst Annika Verdam

Foto´s Dos Winkel

Ik ben lederkoraal

Hallo daar, ik ben een lederkoraal.

Ik mag er dan wel uitzien als een plant, maar in werkelijkheid ben ik toch echt een dier, net als al het koraal in de zee! Koralen bestaan uit zeedieren, ook wel poliepen genoemd en leven in groepen bij elkaar. Zo’n groep noemen we een kolonie. Ik kan van vorm veranderen door mijn lichaam te vullen met water, als een spons! Daarnaast kan ik mijn lichaam weer leeg laten lopen en mijn tentakels in- of uittrekken.

Wij, lederkoralen zijn er in allerlei tinten geel. We zijn er trouwens ook in veel maten en vormen, dus het kan soms moeilijk zijn om ons te herkennen. Net als andere zachte koralen, zit ik vastgegroeid aan gesteenten. Maar toch kan ik goed en vrij bewegen. Wist je dat mijn lichaam een soort slijm produceert? Dit gebruik ik om algen die ik niet nodig heb of andere stoffen die mij irriteren, af te stoten. Heel handig!

Net als een octopus of kwal heb ik tentakels. Over het algemeen heb ik per poliep, acht tentakels. Deze gebruik ik om mijn lievelingseten pekelkreeftjes en plankton te verzamelen! Misschien herken je die laatste wel van Spongebob. Plankton zijn hele kleine diertjes en plantjes die zwevend in het water leven. Als ze zich willen verplaatsen zijn ze afhankelijk van de stroming van de zee. Hoewel ik pekelkreeftjes en plankton erg lekker vind, haal ik de meeste voeding ergens anders vandaan. Alle soorten koraal in de zee leven samen met micro-algen. Ze hebben elkaar nodig om te overleven! Deze samenwerking noemen we symbiose. De micro-algen leven in het weefsel van koraal. Zij produceren voedingsstoffen en suikers die ze delen met de koraalcellen. Het koraal krijgt zijn eten dus ook van deze algen. Maar het koraal geeft er ook iets voor terug. Het breekt een zure stof genaamd ammonium af, dit is weer belangrijk voedsel voor de algen! Ook zorgt het koraal voor beschutting.

Ik kom voor in gematigde en tropische zeeën en word gevonden bij ondiepe watervlakten zoals koraalriffen en lagunes maar ook op diepten van dertig meter of dieper. Anders dan andere koraalsoorten blijkt het aantal lederkoralen de afgelopen jaren stabiel te zijn. Dit betekent dat het niet of nauwelijks is veranderd. Veel koraalsoorten sterven uit door de opwarming en vervuiling van de zee, maar dit is gelukkig (nog) niet het geval bij lederkoralen. Daar ben ik heel blij om!

 

Tekst Annika Verdam

Foto´s Dos Winkel

Ik ben een roodlip vleermuisvis

Hey daar! Ik ben de Roodlip Vleermuisvis! Deze naam heb ik te danken aan het feit dat de vorm van mijn lichaam lijkt op die van een vleermuis, en omdat ik felrode lippen heb. Ik zwem helemaal niet zo goed als andere vissen in de zee. In plaats van te zwemmen, gebruik ik daarom mijn borst- en buikvinnen om te lopen over de zeebodem. Deze vinnen zijn door de evolutie (betekent: in de loop van duizenden jaren) zo veranderd, dat ze eruitzien als pootjes! Gek hè, een vis met poten?

Ik kom voor in de Stille Oceaan rondom de Galapagos Eilanden en bij de kust van Peru. Ik kan leven tot op een diepte van ruim 70 meter. Mede omdat ik zo diep leef, heb ik geen natuurlijke vijanden. Wel zouden de stijgende zeetemperaturen en koraalverbleking in de toekomst een gevaar kunnen zijn omdat mijn leefgebied zal veranderen en er waarschijnlijk minder voedsel beschikbaar zal zijn.

Wij, vleermuisvissen kunnen tussen de twintig en veertig centimeter lang worden. Ik sta dus bekend om mijn bijzondere vorm en mijn heldere rode lippen. Mijn lichaam heeft een driehoekige vorm en is bedekt met schubben. Verder heb ik een grote kop en ben ik bruingekleurd. Het bovenste gedeelte van mijn lichaam is donker, en het onderste deel licht. Hierdoor kan ik me goed camoufleren op de zeebodem. Dit betekent dat mijn prooien het verschil tussen de zeebodem en mijn lichaam niet goed kunnen zien. Hierdoor kan ik makkelijker mijn eten vangen! Ik hoef dus eigenlijk niet zo heel veel te doen! Ik blijf zitten en wacht tot de beestjes dichtbij komen. Ik eet graag kleine vissen, weekdieren en schaaldieren zoals garnalen en krabben. Om prooien te lokken, heb ik nog iets bijzonders! Omdat ik een erg kort, samengeperst lichaam heb, zit mijn rugvin niet op mijn rug maar op mijn voorhoofd. Deze is bedekt met kleine haren. Het is een soort hengel of een hoorn. Ik kan hem intrekken, maar ook naar buiten laten staan. Op het puntje van deze hoorn zit een esca. Dit is een heel speciaal lichaamsdeel dat een bepaalde vloeistof afgeeft. Prooien komen hierop af!

Heb je mijn lippen trouwens al gezien? Nee hoor, ik heb geen lippenstift opgedaan. Ik heb deze prachtige rode lippen helemaal van nature! Door mijn lippen kan ik soortgenoten goed herkennen. Vaak zijn mijn lippen echter gewoon roze, maar als ik indruk wil maken op mannetjes of vrouwtjes, bijvoorbeeld omdat ik wil paren of vechten, dan kunnen ze knalrood worden.

De oprichter en voorzitter van Sea First, Dos Winkel, had een ontmoeting met deze vis tijdens opnames voor één van de TV-documentaires die over zijn werk gemaakt zijn. Kijk maar eens op https://dos-bertie-winkel.com/tv-documentaires/ Eye on Caribbean – op ongeveer 17 minuten.

Tekst: Annika Verdam

ik ben een knorvis

Hi daar! Ik ben de Knorvis. Knor, knor! Vergis je niet, ik ben geen varkentje, maar ik maak een geluid met mijn keel dat een beetje lijkt op een knor. Dit geluid maak ik omdat ik knars met mijn keel en doe ik als ik in gevaar ben om vijanden af te schrikken. In het Engels word ik Sweetlip genoemd; dat betekent “Zoetlip” omdat ik zulke mooie dikke lippen heb.

Ik ben een vissoort die behoort tot de straalvinnigen, net als bijna alle andere bekende vissen in de zee. Dat betekent dat ik bot- of beenachtige stralen in mijn vinnen heb die mijn huid ondersteunen. Ik word ongeveer 30 centimeter lang en ben zilverachtig van kleur met smalle gele en blauwe strepen. Mijn kop is lang en ik heb een grote snuit. Net als een kameleon kan ik mijn kleur een beetje aanpassen aan de omgeving. Ik kan lichter en donkerder worden. Zo val ik minder op en kan ik me makkelijker verstoppen voor vijanden. Barracuda’s en haaien jagen op mij. Ik moet dus goed oppassen als ik ze zie. Maar ook voor vissers ben ik niet veilig. Ze gebruiken mijn vlees om op te eten. Daarnaast ben ik door mijn mooie, felle kleuren ook een populaire aquariumvis. Mijn lievelingseten is garnaal. Maar andere schaaldieren, ringwormen en weekdieren vullen ook mijn buikje wel!

Ik leef vaak in de buurt van mangroven. Deze bomen groeien in ondiep water en vormen mooie bossen die dicht aan de kust liggen. Ook begeef ik me in andere wateren in het westelijke deel van de Atlantische Oceaan: van de kust in het oosten van Amerika (Chesapeake Bay), via het Caribisch gebied en de Golf van Mexico tot aan Brazilië. Ik leef op een diepte van 0 tot 30 meter. Wij, knorvissen, zijn verwant aan een blauwgestreepte vissoort genaamd Neertje en het Roodbekje. We worden dan ook vaak in scholen met deze soorten gevonden!

 

De Franse natuuronderzoeker Bernard German de Lacépède was trouwens de persoon die ons, onze Latijnse, wetenschappelijke naam heeft gegeven, namelijk: Haemulon plumierii. Dat is best een moeilijke naam toch? We zijn vernoemd naar monnik en bioloog Charles Plumier.

 

Tekst: Annika Verdam

Foto’s: Dos Winkel

Ik ben een tapijthaai

Hier lig ik heerlijk te wachten tot er iets lekkers voorbijkomt. Ik heb een hekel aan zwemmen overdag. `s Nachts ben ik wat actiever.

Hoi daar! Ik ben de gevlekte bakerhaai, maar word ook wel tapijthaai genoemd. Het grootste deel van de tijd lig ik lekker op de bodem van de zee, vandaar mijn naam. Ook heb ik allerlei sierlijke kringen en vlekken op mijn lichaam. Net als een mooi tapijt dus! Ik heb best wel een plat lichaam waardoor ik mij goed kan camoufleren. Mijn lichaam is olijfgroen van kleur en ik kan heel groot worden! Maar de meeste tapijthaaien zijn ongeveer 125 centimeter. Ik heb twee rugvinnen en mijn smalle bek zit in tegenstelling tot veel andere haaien, voor mijn ogen. Door mijn kleur en vlekken ben ik moeilijk te zien en dus goed gecamoufleerd.  Onder mijn kin heb ik zelfs allerlei aanhangsels (de mensen noemen die cirri) waardoor mijn camouflage nog beter wordt. De vissen die langs zwemmen herkennen mij dus niet als een roofdier!

Ik leef vooral in de Indische Oceaan in ondiep water tot maximaal 106 meter. Hoewel dat diep klinkt, zijn er haaien die nog veel dieper zwemmen. Beenvissen en inktvissen zijn mijn lievelingsmaaltjes. Toch ben ik niet zo actief met het jagen naar prooien. Meestal wacht ik tot ze voorbijzwemmen en dan overval ik ze! Soms hoeft dat geeneens, omdat ik zo onopvallend ben, zwemmen kreeftachtigen en vissen vaak gewoon langs mijn mond en hoef ik maar een hele kleine beweging te maken om ze te vangen en op te eten.. Daar heb ik dus geluk mee! Als ik dan wel jaag, doe ik dat meestal in de nacht. Dan ben ik namelijk lekker actief!

Hier zie je me meer van voren. Zie je de cirri onder mijn kin en zie je ook hoe klein mijn ogen eigenlijk zijn?

Nu kun je mijn cirri heel duidelijk zien.

Ik ben normaal gesproken ongevaarlijk voor mensen, maar ik kan soms wel boos worden en gaan bijten als er iemand op me gaat staan of als mensen te dichtbij komen. Er zijn een aantal meldingen gedaan waarin mensen gebeten werden door tapijthaaien maar er is nog nooit iemand overleden.

Mijn ogen zijn echt heel klein voor zo´n groot dier als ik.

We worden geboren zonder ei, maar in de buik van de moederhaai zit er aan het begin van de ontwikkeling nog wel een schil om ons heen. Deze gaat naar mate we groter worden weg en dan worden we als babyhaaien geboren! Dat is trouwens niet bij alle tapijthaaien zo. Sommige haaien leggen namelijk wel eieren! Een vrouwtjeshaai heeft meestal zo’n 6 tot 8 jongen. Ze zijn ongeveer 18 centimeter groot bij de geboorte. Wel kan dat per haai verschillen, want er zijn veel verschillende soorten tapijthaaien! Wist je bijvoorbeeld dat walvishaaien, zebrahaaien en verpleegsterhaaien ook bakerhaaien (tapijthaaien) zijn?

Tekst: Annika Verdam

Foto’s: Dos Winkel

Ik ben een doopvontschelp

Hey daar! Ik ben de doopvontschelp, maar word ook wel de reuzenmossel genoemd. Ik ben ontzettend groot. Sterker nog: het grootste weekdier van de oceaan! Een weekdier is een dier zonder wervelkolom, met een skelet, gemaakt van kalk aan de buitenkant. Dit skelet noemen we ook wel een schelp. Ik word omringd door niet één, maar twee schelpen. Ik kan een lengte bereiken van wel anderhalve meter en een gewicht van 250 kilo. Ook kan ik erg oud worden. Misschien nog wel ouder dan jij! Wij, doodvontschelpen worden namelijk ongeveer honderd jaar oud! Ik kom voor in de zuidelijke Grote Oceaan en de Indische Oceaan.

Net zoals veel schelpen, ben ik hermafrodiet. Dit betekent dat ik zowel man als vrouw ben. Tijdens de eerste twee tot zes jaar van mijn leven produceer ik alleen zaadcellen en de rest van mijn leven maak ik eicellen aan! Ik kan een miljard eitjes per keer spuiten! De bevruchting vindt niet binnen mijn lichaam plaats, maar daarbuiten. In het zeewater dus. Dit betekent dat de zaadcellen van een doopvontschelp uitgespoten worden over de eicellen van een andere schelp. Ik ben de eerste tijd van mijn leven een larve. Als ik heel jong ben, ben ik zo licht, dat ik door het water zweef. Maar na een tijdje, wordt mijn schelp zwaarder en zak ik naar de zeebodem. Daar groei ik uit tot een volwassen dier.

Kokkels

 

 

Wij, doopvontschelpen worden vaak vergezeld door algen. Zij zorgen ervoor dat we genoeg voedingsstoffen binnen krijgen. Mijn andere voedsel krijg ik door voedingsstoffen uit het water te filteren met mijn kieuwen. Misschien heb je op het strand in Nederland of België wel eens kokkels gevonden. Dit is eigenlijk een mini-versie van mij. Wist je dat we dezelfde voorouders hebben? Door de internationale unie voor natuurbescherming word ik als ‘kwetsbaar’ gezien. In de laatste paar jaar is het aantal van ons sterk afgenomen. Dit komt door overbevissing. We worden gevangen om gegeten te worden of voor gebruik in aquariums.

 

Tekst: Annika Verdam

ik ben een tijgerhaai

Hé daar, ik ben de tijgerhaai! Mijn naam heb ik te danken aan de tijgerstrepen op mijn rug en de zijkant van mijn lijf. Vooral bij jonge haaien zijn deze strepen goed te zien, het vervaagt als ik ouder word. Het is een vorm van camouflage. Ik kan wel 5,5 meter lang worden. Heel soms worden mijn soortgenoten zelfs iets groter! Er zijn zelfs tijgerhaaien van negen meter gespot, gaaf hè? Mijn lichaam is grijs met wit en ik heb een korte, stompe snuit. Ik kan tot wel duizend kilo wegen. Hoe oud ik kan worden is een raadsel. Daar zijn namelijk nog niet veel cijfers over bekend. Maar mensen denken dat ik een leeftijd van ongeveer twintig jaar kan bereiken. Ik heb hele lange borstvinnen. Ze lijken een beetje op vleugels. Door deze vinnen kan ik snel zwemmen en af en toe ‘sprintjes’ trekken. Mijn hoge rugvin zorgt ervoor dat ik heel snel om mijn eigen as kan draaien. Dit helpt mij bij het jagen.

Eten zoeken doe ik meestal in de nacht. Het maakt mij niet zoveel uit hoe mijn maaltijd eruitziet. Bijna alle dieren die in mijn buurt komen eet ik op! Ik kan ontzettend hard bijten. Mijn tanden zijn zo sterk dat ik zelfs de schilden van schildpadden kan kraken. Verder vind ik vissen, zeevogels, andere haaien, inktvissen en zeehonden ook lekker! Ik ben dus echt een alleseter. In de magen van gevangen tijgerhaaien is van alles gevonden: nummerborden, geweien, delen van honden en zelfs hele autobanden. Daarom worden we ook wel eens ‘vuilnisbakken met vinnen’ genoemd.

De meeste haaien zijn helemaal niet gevaarlijk voor mensen, maar voor mij moet je toch een beetje uitkijken hoor! Na de witte haai heb ik het record van aanvallen op mensen op mijn naam staan, maar als mensen die aan het duiken of zwemmen zijn, rustig rechtop in het water staan, zullen we die met rust laten. Als ze horizontaal zwemmen denken we al gemakkelijk dat het een dier in nood is.

Het grootste deel van mijn leven ben ik in mijn eentje op zoek naar eten. Ik leef dus niet in groepen. Ik kom voor in de tropische en subtropische zeeën en heel af en toe word ik ook wel eens in de Middellandse Zee en Noordzee gespot! Eigenlijk horen wij niet thuis in de Europese zeeën, maar door klimaatverandering en overbevissing zijn we soms ook te vinden in deze zeeën. Ik zwem graag lekker diep in de oceaan. Meestal op een diepte van ongeveer 140 meter! Wij, tijgerhaaien, planten ons op een hele bijzondere manier voort. De eieren van de vrouwtjes worden namelijk in de baarmoeder van de moederhaai uitgebroed, daarna worden ze als embryo’s geboren. De moederhaai is 16 maanden zwanger en kan tot wel tachtig jongen in één keer krijgen! Veel hè?

Tekst Annika Verdam

Ik ben de grote fregatvogel

Een mannetje heeft een mooi nest gebouwd en lokt nu een vrouwtje met zijn opvallende rode borstzak.

Hey daar! Ik ben de grote fregatvogel. ‘Huh? Maar vogels zijn toch geen zeedieren?’ hoor ik je denken. Toch is dat wel zo! Ik ben namelijk een zeevogel. Dit is een vogelsoort die zich heeft aangepast op een leven in de buurt van de kust of in de zee. Wij vangen ons voedsel dus voornamelijk in de zee. Ik kom voor in tropische delen van de oceaan, zoals de Galapagos Eilanden! Maar ook ben ik te vinden in de Indische Oceaan en in het Zuiden van de Atlantische Oceaan.

Ik ben lichtgebouwd, maar zoals je misschien al in de naam hebt gezien ben ik best wel groot! Ik kan tot 105 centimeter lang worden en heb een spanwijdte van 205 tot 230 centimeter. Ik heb lange, smalle en puntige vleugels waarmee ik perfect over de warme zeeën kan vliegen. Bij onze soort is het vrouwtje groter dan het mannetje. Vrouwtjes hebben witte veren op hun borst en die van het mannetje zijn vaak paars-groen van kleur. Ook hebben vrouwtjes een rode oogring, die mannetjes niet hebben. In het broedseizoen kan het mannetje zijn opvallende rode zak op zijn borst uitzetten. De hele borst is dan roodgekleurd. Hiermee probeert hij vrouwtjes te versieren!

Toen de Duitse bioloog Johan Friedrich Gmelin in 1789 (232 jaar geleden!) mij voor het eerst beschreef, dacht hij dat ik een kleine pelikaan was. Hij gaf me daarom de wetenschappelijke naam Pelecanus minor (kleine pelikaan). Toen andere onderzoekers mijn naam later wilden aanpassen, mochten zij volgens de regels van de naamgeving van dieren alleen het geslacht aanpassen en niet het woordje minor (klein). Daarom heet ik nu Fregata minor. Terwijl ik dus helemaal niet zo klein ben!

 

Het is gelukt! Een vrouwtje is op de prachtige rode “ballon” van het mannetje afgekomen!

Wij, grote fregatvogels, gaan vaak op reis. Maar we keren altijd terug naar onze geboortekolonie om te broeden. Ik vind mijn voedsel tijdens mijn vliegreisjes over het oceaanoppervlak. Ik zoek naar voedsel binnen 80 kilometer van mijn broedkolonie of rustgebied. Vis vind ik erg lekker! Mijn lievelingsvisjes zijn vliegende vissen. Deze springen uit het water, en kan ik makkelijk vangen. Ook maak ik gebruik van scholen tonijn of dolfijnen die kleine vissen naar het oppervlak stuwen. Dit is een vangtechniek van veel roofzuchtige zeedieren, maar is natuurlijk ook erg handig voor mij! Ik land trouwens niet op het wateroppervlak. Als ik dit doe, is het erg lastig om weer op te stijgen. Naast vissen, ben ik soms ook op jacht naar kuikens van andere zeevogels. Uit onderzoek is gebleken dat alleen vrouwelijke of jonge fregatvogels op deze manier jagen. Gek hè?

We hebben een enorm verspreidingsgebied. Dit betekent dat we op veel verschillende plekken op de wereld voorkomen. Hierdoor is de kans op uitsterven heel klein. De grootte van onze populatie gaat wel achteruit, maar dit is minder dan 3,5 procent per jaar. Om deze reden staat de grote fregatvogel als niet bedreigd op de Rode Lijst van de Internationale Unie voor Natuurbescherming.

 

 

 

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel

Ik ben een Rode Rotskrab

Galapagoszeeleeuw in een getijdepoel met verschillende Rode rotskrabben op vulkanische zwarte lava.

Hey daar! Ik ben de Rode rotskrab. Mijn echte naam is de Grapsus grapsus. Maar dat is een wetenschappelijke naam. Omdat dit Latijn is, is het misschien een beetje moeilijk uit te spreken. Onze soort is een van de meest voorkomende krabsoorten van de westkust van Mexico, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika zoals bij de Galapagoseilanden in de stille oceaan. Maar we leven ook op de Canarische eilanden en langs de westkust van Afrika!

We zien er net zo uit als de meeste krabben die je misschien wel eens bent tegengekomen. We hebben tien poten, waarvan de twee voorste poten kleiner en dikker zijn. Dit zijn onze klauwen. Ook wel scharen genoemd. Hiermee kunnen we onszelf verdedigen!
De andere poten zijn groot en plat, waarvan alleen de toppen de grond raken. We lopen dus op onze tenen! Ons rugschild is iets groter dan acht centimeter. Jonge Rode rotskrabben zijn zwart of donkerbruin gekleurd en zijn op deze manier goed gecamoufleerd op de vulkanische eilanden. De kusten van deze eilanden zijn namelijk bedekt met zwart zand door lava. Hierdoor kunnen vijanden ons niet goed zien. Volwassen krabben kunnen verschillende kleuren hebben. Sommige zijn bruin-rood en anderen zijn meer roze of geel van kleur. Maar de kleuren rood en oranje zijn vooral aanwezig. Vandaar onze naam: de Rode rotskrab. Mannetjes hebben een dunne buik, maar zijn wel groter dan vrouwtjes, die een brede buik hebben waarin ze hun eieren dragen.

Twee vechtende Rode rotskrabmannetjes.

Ik leef tussen de rotsen en stenen van de kusten. Mijn dieet bestaat vooral uit algen en andere planten of dode dieren. Mijn klauwen gebruik ik om af en toe dieren met een schelp, zoals slakken en mosselen te eten. Ik ben een lenige krab met een ontzettend snel reactievermogen. Ook kan ik goed springen. Hierdoor ben ik moeilijk te pakken. Ik word niet vaak door mensen gegeten maar word wel gebruikt als aas door vissers. Hierdoor vangen ze namelijk mijn grootste vijand: de Goudgeaderde murene. Dit is een vis die graag op mij jaagt. Wist je trouwens dat onze soort voor het eerst werd verzameld door Charles Darwin? Dit was een natuurwetenschapper die vooral bekend is geworden door zijn evolutietheorie.

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel