Ik ben een roodlip vleermuisvis

Hey daar! Ik ben de Roodlip Vleermuisvis! Deze naam heb ik te danken aan het feit dat de vorm van mijn lichaam lijkt op die van een vleermuis, en omdat ik felrode lippen heb. Ik zwem helemaal niet zo goed als andere vissen in de zee. In plaats van te zwemmen, gebruik ik daarom mijn borst- en buikvinnen om te lopen over de zeebodem. Deze vinnen zijn door de evolutie (betekent: in de loop van duizenden jaren) zo veranderd, dat ze eruitzien als pootjes! Gek hè, een vis met poten?

Ik kom voor in de Stille Oceaan rondom de Galapagos Eilanden en bij de kust van Peru. Ik kan leven tot op een diepte van ruim 70 meter. Mede omdat ik zo diep leef, heb ik geen natuurlijke vijanden. Wel zouden de stijgende zeetemperaturen en koraalverbleking in de toekomst een gevaar kunnen zijn omdat mijn leefgebied zal veranderen en er waarschijnlijk minder voedsel beschikbaar zal zijn.

Wij, vleermuisvissen kunnen tussen de twintig en veertig centimeter lang worden. Ik sta dus bekend om mijn bijzondere vorm en mijn heldere rode lippen. Mijn lichaam heeft een driehoekige vorm en is bedekt met schubben. Verder heb ik een grote kop en ben ik bruingekleurd. Het bovenste gedeelte van mijn lichaam is donker, en het onderste deel licht. Hierdoor kan ik me goed camoufleren op de zeebodem. Dit betekent dat mijn prooien het verschil tussen de zeebodem en mijn lichaam niet goed kunnen zien. Hierdoor kan ik makkelijker mijn eten vangen! Ik hoef dus eigenlijk niet zo heel veel te doen! Ik blijf zitten en wacht tot de beestjes dichtbij komen. Ik eet graag kleine vissen, weekdieren en schaaldieren zoals garnalen en krabben. Om prooien te lokken, heb ik nog iets bijzonders! Omdat ik een erg kort, samengeperst lichaam heb, zit mijn rugvin niet op mijn rug maar op mijn voorhoofd. Deze is bedekt met kleine haren. Het is een soort hengel of een hoorn. Ik kan hem intrekken, maar ook naar buiten laten staan. Op het puntje van deze hoorn zit een esca. Dit is een heel speciaal lichaamsdeel dat een bepaalde vloeistof afgeeft. Prooien komen hierop af!

Heb je mijn lippen trouwens al gezien? Nee hoor, ik heb geen lippenstift opgedaan. Ik heb deze prachtige rode lippen helemaal van nature! Door mijn lippen kan ik soortgenoten goed herkennen. Vaak zijn mijn lippen echter gewoon roze, maar als ik indruk wil maken op mannetjes of vrouwtjes, bijvoorbeeld omdat ik wil paren of vechten, dan kunnen ze knalrood worden.

De oprichter en voorzitter van Sea First, Dos Winkel, had een ontmoeting met deze vis tijdens opnames voor één van de TV-documentaires die over zijn werk gemaakt zijn. Kijk maar eens op https://dos-bertie-winkel.com/tv-documentaires/ Eye on Caribbean – op ongeveer 17 minuten.

Tekst: Annika Verdam

ik ben een knorvis

Hi daar! Ik ben de Knorvis. Knor, knor! Vergis je niet, ik ben geen varkentje, maar ik maak een geluid met mijn keel dat een beetje lijkt op een knor. Dit geluid maak ik omdat ik knars met mijn keel en doe ik als ik in gevaar ben om vijanden af te schrikken. In het Engels word ik Sweetlip genoemd; dat betekent “Zoetlip” omdat ik zulke mooie dikke lippen heb.

Ik ben een vissoort die behoort tot de straalvinnigen, net als bijna alle andere bekende vissen in de zee. Dat betekent dat ik bot- of beenachtige stralen in mijn vinnen heb die mijn huid ondersteunen. Ik word ongeveer 30 centimeter lang en ben zilverachtig van kleur met smalle gele en blauwe strepen. Mijn kop is lang en ik heb een grote snuit. Net als een kameleon kan ik mijn kleur een beetje aanpassen aan de omgeving. Ik kan lichter en donkerder worden. Zo val ik minder op en kan ik me makkelijker verstoppen voor vijanden. Barracuda’s en haaien jagen op mij. Ik moet dus goed oppassen als ik ze zie. Maar ook voor vissers ben ik niet veilig. Ze gebruiken mijn vlees om op te eten. Daarnaast ben ik door mijn mooie, felle kleuren ook een populaire aquariumvis. Mijn lievelingseten is garnaal. Maar andere schaaldieren, ringwormen en weekdieren vullen ook mijn buikje wel!

Ik leef vaak in de buurt van mangroven. Deze bomen groeien in ondiep water en vormen mooie bossen die dicht aan de kust liggen. Ook begeef ik me in andere wateren in het westelijke deel van de Atlantische Oceaan: van de kust in het oosten van Amerika (Chesapeake Bay), via het Caribisch gebied en de Golf van Mexico tot aan Brazilië. Ik leef op een diepte van 0 tot 30 meter. Wij, knorvissen, zijn verwant aan een blauwgestreepte vissoort genaamd Neertje en het Roodbekje. We worden dan ook vaak in scholen met deze soorten gevonden!

 

De Franse natuuronderzoeker Bernard German de Lacépède was trouwens de persoon die ons, onze Latijnse, wetenschappelijke naam heeft gegeven, namelijk: Haemulon plumierii. Dat is best een moeilijke naam toch? We zijn vernoemd naar monnik en bioloog Charles Plumier.

 

Tekst: Annika Verdam

Foto’s: Dos Winkel

Ik ben een tapijthaai

Hier lig ik heerlijk te wachten tot er iets lekkers voorbijkomt. Ik heb een hekel aan zwemmen overdag. `s Nachts ben ik wat actiever.

Hoi daar! Ik ben de gevlekte bakerhaai, maar word ook wel tapijthaai genoemd. Het grootste deel van de tijd lig ik lekker op de bodem van de zee, vandaar mijn naam. Ook heb ik allerlei sierlijke kringen en vlekken op mijn lichaam. Net als een mooi tapijt dus! Ik heb best wel een plat lichaam waardoor ik mij goed kan camoufleren. Mijn lichaam is olijfgroen van kleur en ik kan heel groot worden! Maar de meeste tapijthaaien zijn ongeveer 125 centimeter. Ik heb twee rugvinnen en mijn smalle bek zit in tegenstelling tot veel andere haaien, voor mijn ogen. Door mijn kleur en vlekken ben ik moeilijk te zien en dus goed gecamoufleerd.  Onder mijn kin heb ik zelfs allerlei aanhangsels (de mensen noemen die cirri) waardoor mijn camouflage nog beter wordt. De vissen die langs zwemmen herkennen mij dus niet als een roofdier!

Ik leef vooral in de Indische Oceaan in ondiep water tot maximaal 106 meter. Hoewel dat diep klinkt, zijn er haaien die nog veel dieper zwemmen. Beenvissen en inktvissen zijn mijn lievelingsmaaltjes. Toch ben ik niet zo actief met het jagen naar prooien. Meestal wacht ik tot ze voorbijzwemmen en dan overval ik ze! Soms hoeft dat geeneens, omdat ik zo onopvallend ben, zwemmen kreeftachtigen en vissen vaak gewoon langs mijn mond en hoef ik maar een hele kleine beweging te maken om ze te vangen en op te eten.. Daar heb ik dus geluk mee! Als ik dan wel jaag, doe ik dat meestal in de nacht. Dan ben ik namelijk lekker actief!

Hier zie je me meer van voren. Zie je de cirri onder mijn kin en zie je ook hoe klein mijn ogen eigenlijk zijn?

Nu kun je mijn cirri heel duidelijk zien.

Ik ben normaal gesproken ongevaarlijk voor mensen, maar ik kan soms wel boos worden en gaan bijten als er iemand op me gaat staan of als mensen te dichtbij komen. Er zijn een aantal meldingen gedaan waarin mensen gebeten werden door tapijthaaien maar er is nog nooit iemand overleden.

Mijn ogen zijn echt heel klein voor zo´n groot dier als ik.

We worden geboren zonder ei, maar in de buik van de moederhaai zit er aan het begin van de ontwikkeling nog wel een schil om ons heen. Deze gaat naar mate we groter worden weg en dan worden we als babyhaaien geboren! Dat is trouwens niet bij alle tapijthaaien zo. Sommige haaien leggen namelijk wel eieren! Een vrouwtjeshaai heeft meestal zo’n 6 tot 8 jongen. Ze zijn ongeveer 18 centimeter groot bij de geboorte. Wel kan dat per haai verschillen, want er zijn veel verschillende soorten tapijthaaien! Wist je bijvoorbeeld dat walvishaaien, zebrahaaien en verpleegsterhaaien ook bakerhaaien (tapijthaaien) zijn?

Tekst: Annika Verdam

Foto’s: Dos Winkel

Ik ben een doopvontschelp

Hey daar! Ik ben de doopvontschelp, maar word ook wel de reuzenmossel genoemd. Ik ben ontzettend groot. Sterker nog: het grootste weekdier van de oceaan! Een weekdier is een dier zonder wervelkolom, met een skelet, gemaakt van kalk aan de buitenkant. Dit skelet noemen we ook wel een schelp. Ik word omringd door niet één, maar twee schelpen. Ik kan een lengte bereiken van wel anderhalve meter en een gewicht van 250 kilo. Ook kan ik erg oud worden. Misschien nog wel ouder dan jij! Wij, doodvontschelpen worden namelijk ongeveer honderd jaar oud! Ik kom voor in de zuidelijke Grote Oceaan en de Indische Oceaan.

Net zoals veel schelpen, ben ik hermafrodiet. Dit betekent dat ik zowel man als vrouw ben. Tijdens de eerste twee tot zes jaar van mijn leven produceer ik alleen zaadcellen en de rest van mijn leven maak ik eicellen aan! Ik kan een miljard eitjes per keer spuiten! De bevruchting vindt niet binnen mijn lichaam plaats, maar daarbuiten. In het zeewater dus. Dit betekent dat de zaadcellen van een doopvontschelp uitgespoten worden over de eicellen van een andere schelp. Ik ben de eerste tijd van mijn leven een larve. Als ik heel jong ben, ben ik zo licht, dat ik door het water zweef. Maar na een tijdje, wordt mijn schelp zwaarder en zak ik naar de zeebodem. Daar groei ik uit tot een volwassen dier.

Kokkels

 

 

Wij, doopvontschelpen worden vaak vergezeld door algen. Zij zorgen ervoor dat we genoeg voedingsstoffen binnen krijgen. Mijn andere voedsel krijg ik door voedingsstoffen uit het water te filteren met mijn kieuwen. Misschien heb je op het strand in Nederland of België wel eens kokkels gevonden. Dit is eigenlijk een mini-versie van mij. Wist je dat we dezelfde voorouders hebben? Door de internationale unie voor natuurbescherming word ik als ‘kwetsbaar’ gezien. In de laatste paar jaar is het aantal van ons sterk afgenomen. Dit komt door overbevissing. We worden gevangen om gegeten te worden of voor gebruik in aquariums.

 

Tekst: Annika Verdam

ik ben een tijgerhaai

Hé daar, ik ben de tijgerhaai! Mijn naam heb ik te danken aan de tijgerstrepen op mijn rug en de zijkant van mijn lijf. Vooral bij jonge haaien zijn deze strepen goed te zien, het vervaagt als ik ouder word. Het is een vorm van camouflage. Ik kan wel 5,5 meter lang worden. Heel soms worden mijn soortgenoten zelfs iets groter! Er zijn zelfs tijgerhaaien van negen meter gespot, gaaf hè? Mijn lichaam is grijs met wit en ik heb een korte, stompe snuit. Ik kan tot wel duizend kilo wegen. Hoe oud ik kan worden is een raadsel. Daar zijn namelijk nog niet veel cijfers over bekend. Maar mensen denken dat ik een leeftijd van ongeveer twintig jaar kan bereiken. Ik heb hele lange borstvinnen. Ze lijken een beetje op vleugels. Door deze vinnen kan ik snel zwemmen en af en toe ‘sprintjes’ trekken. Mijn hoge rugvin zorgt ervoor dat ik heel snel om mijn eigen as kan draaien. Dit helpt mij bij het jagen.

Eten zoeken doe ik meestal in de nacht. Het maakt mij niet zoveel uit hoe mijn maaltijd eruitziet. Bijna alle dieren die in mijn buurt komen eet ik op! Ik kan ontzettend hard bijten. Mijn tanden zijn zo sterk dat ik zelfs de schilden van schildpadden kan kraken. Verder vind ik vissen, zeevogels, andere haaien, inktvissen en zeehonden ook lekker! Ik ben dus echt een alleseter. In de magen van gevangen tijgerhaaien is van alles gevonden: nummerborden, geweien, delen van honden en zelfs hele autobanden. Daarom worden we ook wel eens ‘vuilnisbakken met vinnen’ genoemd.

De meeste haaien zijn helemaal niet gevaarlijk voor mensen, maar voor mij moet je toch een beetje uitkijken hoor! Na de witte haai heb ik het record van aanvallen op mensen op mijn naam staan, maar als mensen die aan het duiken of zwemmen zijn, rustig rechtop in het water staan, zullen we die met rust laten. Als ze horizontaal zwemmen denken we al gemakkelijk dat het een dier in nood is.

Het grootste deel van mijn leven ben ik in mijn eentje op zoek naar eten. Ik leef dus niet in groepen. Ik kom voor in de tropische en subtropische zeeën en heel af en toe word ik ook wel eens in de Middellandse Zee en Noordzee gespot! Eigenlijk horen wij niet thuis in de Europese zeeën, maar door klimaatverandering en overbevissing zijn we soms ook te vinden in deze zeeën. Ik zwem graag lekker diep in de oceaan. Meestal op een diepte van ongeveer 140 meter! Wij, tijgerhaaien, planten ons op een hele bijzondere manier voort. De eieren van de vrouwtjes worden namelijk in de baarmoeder van de moederhaai uitgebroed, daarna worden ze als embryo’s geboren. De moederhaai is 16 maanden zwanger en kan tot wel tachtig jongen in één keer krijgen! Veel hè?

Tekst Annika Verdam

Ik ben de grote fregatvogel

Een mannetje heeft een mooi nest gebouwd en lokt nu een vrouwtje met zijn opvallende rode borstzak.

Hey daar! Ik ben de grote fregatvogel. ‘Huh? Maar vogels zijn toch geen zeedieren?’ hoor ik je denken. Toch is dat wel zo! Ik ben namelijk een zeevogel. Dit is een vogelsoort die zich heeft aangepast op een leven in de buurt van de kust of in de zee. Wij vangen ons voedsel dus voornamelijk in de zee. Ik kom voor in tropische delen van de oceaan, zoals de Galapagos Eilanden! Maar ook ben ik te vinden in de Indische Oceaan en in het Zuiden van de Atlantische Oceaan.

Ik ben lichtgebouwd, maar zoals je misschien al in de naam hebt gezien ben ik best wel groot! Ik kan tot 105 centimeter lang worden en heb een spanwijdte van 205 tot 230 centimeter. Ik heb lange, smalle en puntige vleugels waarmee ik perfect over de warme zeeën kan vliegen. Bij onze soort is het vrouwtje groter dan het mannetje. Vrouwtjes hebben witte veren op hun borst en die van het mannetje zijn vaak paars-groen van kleur. Ook hebben vrouwtjes een rode oogring, die mannetjes niet hebben. In het broedseizoen kan het mannetje zijn opvallende rode zak op zijn borst uitzetten. De hele borst is dan roodgekleurd. Hiermee probeert hij vrouwtjes te versieren!

Toen de Duitse bioloog Johan Friedrich Gmelin in 1789 (232 jaar geleden!) mij voor het eerst beschreef, dacht hij dat ik een kleine pelikaan was. Hij gaf me daarom de wetenschappelijke naam Pelecanus minor (kleine pelikaan). Toen andere onderzoekers mijn naam later wilden aanpassen, mochten zij volgens de regels van de naamgeving van dieren alleen het geslacht aanpassen en niet het woordje minor (klein). Daarom heet ik nu Fregata minor. Terwijl ik dus helemaal niet zo klein ben!

 

Het is gelukt! Een vrouwtje is op de prachtige rode “ballon” van het mannetje afgekomen!

Wij, grote fregatvogels, gaan vaak op reis. Maar we keren altijd terug naar onze geboortekolonie om te broeden. Ik vind mijn voedsel tijdens mijn vliegreisjes over het oceaanoppervlak. Ik zoek naar voedsel binnen 80 kilometer van mijn broedkolonie of rustgebied. Vis vind ik erg lekker! Mijn lievelingsvisjes zijn vliegende vissen. Deze springen uit het water, en kan ik makkelijk vangen. Ook maak ik gebruik van scholen tonijn of dolfijnen die kleine vissen naar het oppervlak stuwen. Dit is een vangtechniek van veel roofzuchtige zeedieren, maar is natuurlijk ook erg handig voor mij! Ik land trouwens niet op het wateroppervlak. Als ik dit doe, is het erg lastig om weer op te stijgen. Naast vissen, ben ik soms ook op jacht naar kuikens van andere zeevogels. Uit onderzoek is gebleken dat alleen vrouwelijke of jonge fregatvogels op deze manier jagen. Gek hè?

We hebben een enorm verspreidingsgebied. Dit betekent dat we op veel verschillende plekken op de wereld voorkomen. Hierdoor is de kans op uitsterven heel klein. De grootte van onze populatie gaat wel achteruit, maar dit is minder dan 3,5 procent per jaar. Om deze reden staat de grote fregatvogel als niet bedreigd op de Rode Lijst van de Internationale Unie voor Natuurbescherming.

 

 

 

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel

Ik ben een Rode Rotskrab

Galapagoszeeleeuw in een getijdepoel met verschillende Rode rotskrabben op vulkanische zwarte lava.

Hey daar! Ik ben de Rode rotskrab. Mijn echte naam is de Grapsus grapsus. Maar dat is een wetenschappelijke naam. Omdat dit Latijn is, is het misschien een beetje moeilijk uit te spreken. Onze soort is een van de meest voorkomende krabsoorten van de westkust van Mexico, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika zoals bij de Galapagoseilanden in de stille oceaan. Maar we leven ook op de Canarische eilanden en langs de westkust van Afrika!

We zien er net zo uit als de meeste krabben die je misschien wel eens bent tegengekomen. We hebben tien poten, waarvan de twee voorste poten kleiner en dikker zijn. Dit zijn onze klauwen. Ook wel scharen genoemd. Hiermee kunnen we onszelf verdedigen!
De andere poten zijn groot en plat, waarvan alleen de toppen de grond raken. We lopen dus op onze tenen! Ons rugschild is iets groter dan acht centimeter. Jonge Rode rotskrabben zijn zwart of donkerbruin gekleurd en zijn op deze manier goed gecamoufleerd op de vulkanische eilanden. De kusten van deze eilanden zijn namelijk bedekt met zwart zand door lava. Hierdoor kunnen vijanden ons niet goed zien. Volwassen krabben kunnen verschillende kleuren hebben. Sommige zijn bruin-rood en anderen zijn meer roze of geel van kleur. Maar de kleuren rood en oranje zijn vooral aanwezig. Vandaar onze naam: de Rode rotskrab. Mannetjes hebben een dunne buik, maar zijn wel groter dan vrouwtjes, die een brede buik hebben waarin ze hun eieren dragen.

Twee vechtende Rode rotskrabmannetjes.

Ik leef tussen de rotsen en stenen van de kusten. Mijn dieet bestaat vooral uit algen en andere planten of dode dieren. Mijn klauwen gebruik ik om af en toe dieren met een schelp, zoals slakken en mosselen te eten. Ik ben een lenige krab met een ontzettend snel reactievermogen. Ook kan ik goed springen. Hierdoor ben ik moeilijk te pakken. Ik word niet vaak door mensen gegeten maar word wel gebruikt als aas door vissers. Hierdoor vangen ze namelijk mijn grootste vijand: de Goudgeaderde murene. Dit is een vis die graag op mij jaagt. Wist je trouwens dat onze soort voor het eerst werd verzameld door Charles Darwin? Dit was een natuurwetenschapper die vooral bekend is geworden door zijn evolutietheorie.

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel

Ik ben een zeeleguaan

Hoi daar, ik ben de zeeleguaan! Ik ben een hagedis, maar wel een hele bijzondere! Ik ben de enige hagedis die zijn voedsel uit de zee haalt, ik eet namelijk alleen algen. Ik ben dus vegetariër! Ook leef ik in grote groepen, terwijl andere hagedissen dat vaak niet doen. O ja, ik kom trouwens alleen voor op de vulkanische rotsen van de Galapagos Eilanden. Dit is een eilandengroep in de stille oceaan. Ik weeg maximaal 15 kilo en ben gemiddeld 1,4 meter lang. Wist je dat mijn staart heel lang is? Mijn totale lengte bestaat voor meer dan de helft uit m’n staart. De kleur van mijn lichaam is zwart, maar mijn buik is wit. Verder word ik grijzer als ik ouder word, net als mensen! Ik heb een driehoekige kop, mijn lichaam is plat aan de zijkant en ik heb een duidelijke rugkam. Dit zijn een soort stekels op mijn rug. Het lijkt wel een beetje op een hanenkam en het zorgt ervoor dat ik sterk ben! Vergeleken met andere leguanen heb ik best wel een stompe kop. Dit komt omdat ik zo makkelijker algen van de rotsen kan schrapen. Ook zijn mijn tanden een beetje hoekig, waardoor ik de glibberige algen goed kan vastpakken. Ik heb korte poten, maar lange tenen en nagels. Deze helpen mij om me vast te houden aan de rotsbodem onder het water tijdens het zoeken naar eten. Mijn poten gebruik ik niet om te zwemmen. Ik maak namelijk een slangvormige beweging met mijn lichaam en staart om vooruit te komen. De poten houd ik dan dicht bij mijn lichaam. Ik ben overdag actief. Als ik niet op zoek ben naar eten, lig ik lekker te zonnebaden op een rots. Het is namelijk belangrijk dat ik goed opwarm voor ik weer het water in duik. Ik ben koudbloedig, dus als het ’s nachts of in de avond erg koud is, is het moeilijk om mijn lichaam snel te kunnen bewegen. Daarom schuil ik ’s nachts vaak in de spleten tussen de rotsen. Dat is ook de reden dat ik graag opwarm in de zon, anders kan ik namelijk niet goed bewegen in het koude water en zal ik verdrinken. Een duik duurt trouwens gemiddeld vijftien tot twintig minuten.

In december en januari begint de paartijd. De mannetjes worden dan een beetje bozig op elkaar en maken een territorium. Dat is een gebied waar alleen zijzelf en de vrouwtjes kunnen komen. Als er andere mannetjes in hun territorium komen, worden ze weggejaagd door ze met de kop weg te duwen. Als een mannetje met een vrouwtje heeft gepaard, worden de eieren onder de grond bewaard. Het vrouwtje graaft dan een gang onder de grond met aan het einde een kleine kamer. Hierin worden de eieren afgezet. De gang wordt dan afgedekt met zand en het vrouwtje blijft bij haar nest waken. Het duurt drie maanden voordat de eieren uitkomen. Na die drie maanden ziet het vrouwtje er zwak en mager uit. Ze heeft namelijk al die tijd niets kunnen eten! Uit het ei zijn de jongen ongeveer 23 centimeter lang. Ze hebben veel vijanden, zoals haaien, slangen en vogels. De jongen gaan nog niet de zee in, maar eten zeewier van de kust.

Op het land heb ik geen natuurlijke vijanden. Daarom blijf ik graag zo veel mogelijk op het land. In de zee heb ik namelijk wel vijanden, zoals haaien. Maar mijn grootste vijand is misschien wel de mens. Mijn huid wordt namelijk gebruikt om leer van te maken. Daarnaast ben ik ook helemaal niet bang voor mensen en dit is de reden dat ik regelmatig word meegenomen als huisdier.

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel

ik ben een orka

Hey daar! Ik ben een orka. In het Engels word ik de killer whale genoemd. Dit betekent: moordwalvis. Ze noemen ons zo omdat we in groepen op jacht gaan naar prooien. We gaan met een groep walvissen achter ons prooi aan, omsingelen het dier en vallen zo onze prooi aan. De prooi wint bijna nooit. Ik sta namelijk bovenaan de voedselpiramide en eet vis en zeevogels, maar ook grotere dieren zoals zeehonden, walvissen en haaien. Ik eet per dag zo’n vijf procent van mijn lichaamsgewicht. Dat komt neer op 400 kilo voedsel.

Ik heb dus geen vijanden. Of nou, eentje dan: de mens. Vroeger zagen vissers ons als concurrent en schoten ons dood. Ook dacht men dat orka’s gevaarlijk waren voor mensen, dat komt omdat ze ons toen nog niet goed kenden. Er is nog nooit een mens gedood door een orka in het wild. Vroeger werden we vaak levend gevangengenomen en in een dolfinarium gezet. Wij, orka’s zijn makkelijk te trainen en zijn daardoor populair in dolfinaria en attractieparken. Maar we zijn wilde dieren en zijn niet gewend aan de kleine bassins waar we inzitten. In het wild zwemmen we namelijk vele kilometers per dag. Orka’s in gevangenschap krijgen vaak een scheve rugvin omdat ze meer tijd aan de oppervlakte doorbrengen. De meeste orka’s die nu nog leven in gevangenschap zijn geboren in dolfinariums en hebben nooit gezwommen in de zee.

 

Wist je dat ik eigenlijk geeneens een echte walvis ben? Ik ben namelijk een dolfijn. En niet zomaar een dolfijn, maar de grootste dolfijn die er bestaat. We zijn dus wel familie van de walvissen. Communiceren kunnen we niet alleen met onze eigen soort, maar ook met tuimelaars! Dat zijn ook dolfijnen. Wij kunnen ons eigen geluid namelijk afstemmen op hun geluid. Zo praten we met elkaar. Groepen kunnen bij ons uit twee tot wel negentig orka’s bestaan!Het oudste vrouwtje heeft de leiding. Als er een kalfje overlijdt, neemt de moeder de baby orka soms mee om te voorkomen dat hij zinkt. Meestal duurt dit ongeveer een week en wordt hij daarna toch losgelaten. Zielig hè!

 

Ik ben heel gemakkelijk te herkennen. Van boven ben ik zwart, van onderen wit en boven mijn ogen heb ik een witte vlek. Iedere orka heeft een uniek patroon, bijzonder hè? Mijn lichaam is best wel stevig en ik heb een grote rugvin, die tot wel twee meter hoog kan zijn. Daarnaast heb ik een stompe snuit. Een orka heeft net als jij longen. Dat betekent dat ik steeds naar boven moet om adem te halen. Hierdoor slaap ik nooit helemaal. Ik rust uit door mijn twee hersenhelften om de beurt te laten slapen.

Mannetjes zijn gemiddeld 7,4 meter lang en worden ongeveer 50 jaar in het wild. Vrouwtjes zijn gemiddeld 6,2 meter lang en worden gemiddeld 80 à 90 jaar oud in het wild. Bij de geboorte zijn de kalfjes al 2,4 meter lang. Dat is misschien wel twee keer zo groot dan dat jij nu bent.

Ik kom voor in bijna alle wereldzeeën. Van de tropen tot in de koude wateren. Omdat ik dus overal voorkom, is het lastig om te weten hoeveel orka’s er zijn in de wereld. Maar er wordt geschat dat we minimaal met 50.000 zijn!

 

tekst: Annika Verdam

Ik ben een citroenhaai

Hey daar! Ik ben een citroenhaai.

Ik kom voor in de subtropische wateren van de Grote en Atlantische Oceaan. Mijn huidskleur kan variëren van donker olijfkleurig tot geelbruin. Zoals je misschien al dacht, is mijn naam vernoemd naar de kleur van mijn huid! Ik heb een korte maar brede snuit, kleine ogen en een gebogen bek. Ik heb puntige tanden, hiermee grijp ik mijn prooien. Mijn dieet bestaat onder andere uit kreeftachtigen, weekdieren, zeevogels, vissen en roggen. Jonge citroenhaaien eten ook tijgergarnalen en strandkrabben. Mijn zicht is erg belangrijk bij het vangen van prooien. Met mijn goede ogen kan ik kleur en details perfect onderscheiden. Ook sta ik bekend om mijn fantastische reukvermogen. Wij worden vaak vergezeld door remora’s. Dit zijn vissen die zich met een zuignap, die op hun achterhoofd zit, vastzuigen aan mijn lichaam. Ze smullen van de restjes van mijn prooien en zorgen dat ik gezond blijf door mijn parasieten op te eten.

 

Wij, citroenhaaien, groeien ons hele leven door. Gemiddeld groeien we zo’n 0,54 centimeter per jaar. Ik kan tot wel 3,4 meter lang worden! Dat is misschien wel tweeëneenhalf keer zo groot als jij! Ik kan een gewicht van 185 kilo hebben. De oudste haai in gevangenschap is 25 jaar geworden, maar uit onderzoek blijkt dat wij in het wild wel ouder dan 30 jaar kunnen worden. We leven meestal in ons eentje, maar af en toe leven we ook in groepen van maximaal twintig haaien. Wel leven mannelijke en vrouwelijke haaien vaak apart van elkaar. Afgezien van het feit dat volwassen citroenhaaien af en toe hun jongen opeten, heb ik geen andere bekende vijand, behalve natuurlijk de mens, die ons vangt vanwege ons vlees en onze vinnen die levend bij ons afgesneden worden. We hebben dan verschrikkelijk veel pijn en gaan binnen twee dagen dood! De vinnen gaan dan naar China waar ze in de soep gegooid worden: haaienvinnensoep!  Ik ben de hele dag actief, maar ik ben het meest actief als het donker wordt en in de ochtend. Wij, citroenhaaien, hebben een belangrijke rol gespeeld in de wetenschap. We kunnen namelijk relatief goed leven in gevangenschap, zodat we onderzocht kunnen worden. Zeebioloog Dr. Samuel Gruber van de Universiteit van Miami bestudeert al jaren het gedrag van ons. Hij kwam erachter dat wij in een soort van trance keren als we op onze rug gedraaid worden. Soms duurt dit wel vijftien minuten! Het is alsof we flauwvallen. Samuel Gruber denkt dat dit te maken heeft met een verstoring van het evenwicht van de zintuigen.

 

Wij worden vaak gevangen voor ons vlees, dat wordt gezouten en gedroogd. Onze vinnen worden dus gebruikt voor haaienvinnensoep en worden voor veel geld verkocht. Ten slotte wordt onze huid gebruikt voor de productie van leer. Dat moet snel stoppen, we horen namelijk bijna tot de bedreigde diersoorten! Daarom zijn we heel blij met Sea First die proberen er alles aan te doen om de vangst van haaien te verbieden!

 

Om het jaar baart de vrouwelijke citroenhaai vier tot zeventien jongen, nadat zij tien tot twaalf maanden zwanger is geweest. Vrouwelijke citroenhaaien keren terug naar hun geboorteplaats om daar te bevallen. Direct na de geboorte, verlaten de jongen de moeder. Ze zijn dus helemaal op zichzelf aangewezen! Jonge citroenhaaien leven vaak in ondiep water zoals mangrovebossen. Hier is het namelijk veiliger. Er leven daar immers minder vijanden. Haaien die al iets ouder zijn (vanaf 2-3 jaar) verplaatsen zich naar wateren bij het kustrif of barrièrerif. Volwassen citroenhaaien zwemen uit naar andere gebieden van maximaal 92 meter diep.

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel