Ik ben een KERSTBOOMWORM

Je kunt mij op veel plekken in warme zeeën tegenkomen maar ik ben wel een heel bijzonder diertje, ik ben een kerstboomworm. Misschien dat, als jij aan een worm denkt, je denkt aan een glibberige kronkelende regenworm die in de grond leeft en als het regent boven de grond komt. Maar waar je natuurlijk niet aan denkt, is aan mij; ik lijk op een dubbele kerstboom, maar ben maar 3 tot 5 centimeter groot en ik leef onderwater. Ik besta uit twee opvallende spiraalvormige kerstboompjes die met een mooi woord tentakelkronen genoemd worden. Wij kunnen de meest verschillende, heel mooie kleuren hebben: van wit tot rood tot geel en ook knalblauw. Wij kerstboomwormen leven het liefst in warm zeewater met temperaturen van tussen de 25 en 28 graden Celsius, dus we zijn te vinden in tropische zeeën. We vanden het ook gezellig om in een groep samen te wonen.

Wij leven in het koraalrif in een kokertje van kalk dat wij zelf maken. Als baby zijn wij kerstboomwormen eerst een larve. Als pasgeboren larve boren wij een gat in koraal en blijven we daar de rest van ons leven. Wij kunnen ons dus niet verplaatsen, zoals gewone wormen. Als ik wil eten, kom ik uit mijn kokertje en vang met mijn kleverige tentakeltjes plankton dat langs komt. Als ik mij bedreigd voel, kan ik mij razendsnel in mijn kokertje terugtrekken en kan ik zelfs mijn koker met een dekseltje helemaal afsluiten. Ik kan wel 40 jaar oud worden.

Ik ben Blobby met mijn vriendjes, deel 5

Eigenlijk begrijpen ze er niets van. Wie maakt nu alles met opzet stuk?

Dat ga ik aan opa vragen, denkt Blobby. Die weet immers alles.

Even later zijn ze terug en glijdt Blobby van de rug van Wally.

Nou, bedankt hoor! Ja, het is wel goed, bromt Wally.

 

Berry is ineens weg. Hij heeft gewoon het licht uitgedaan.

Roep me maar als je me nodig hebt, bromt Wally. Dan zwemt hij ook weg.

Blobby gaat naar huis.

Hij heeft honger en gaat opa zoeken.

 

Opa en oma liggen te praten bij een bronnetje.

Opa, opa, zegt Blobby opgewonden.

Ik heb gezien dat mensen alles stuk maken om vissen te vangen.

Is dat echt zo?

 

Opa kijkt Blobby verbaast en wat verdrietig aan.

Ja, jongen, zegt hij,

Dat doen ze inderdaad. Ze vangen vissen en kreeften,

ploegen de zeebodem om en laten allemaal rommel achter.

 

Dat vindt Blobby toch wel heel raar.

Ga nu maar gauw eten, zegt oma bezorgd.

Je zult wel honger hebben, na zo’n avontuur.”

Dat is waar, denkt Blobby. Maar wat is opa toch knap. Hij weet alles!

Blobby gaat naar huis.

 

Tekst                    Jan Stel, voorzitter Sea First Foundation.

Illustratie            Ada Stel. Website: www.adastel.nl/

Ik ben Blobby met mijn vriendjes, deel 4

Hallo, zei Berry, die ineens ook een verlichte staart heeft.

Eh.., eh.., hallo, zegt Blobby. Hé, Berry, bromt Wally. Alles goed met je?

Ja hoor zegt Berry, die voor de grap zijn staartlicht uit doet.

Blobby, de blobvis, is mijn nieuwe vriendje. Hij zit op mijn rug.

 

Waar gaan jullie heen? vraagt Berry, terwijl hij zich omdraait.

Blobby vindt hem, met die verlichte kop en staart, toch maar een rare vis.

Je kunt zijn lichaam in het donker, maar nauwelijks zien.

We gaan naar het visveldje en dan breng ik Blobby weer naar huis, bromt Wally.

 

Blobby bezoekt het visveldje met zijn vrienden.

Samen gaan ze op weg naar het visveldje.

Het ligt aan de andere kant van de heuvel waar Blobby woont.

Wat is hier gebeurd, denkt Blobby, terwijl hij de omgeploegde bodem ziet.

Alles is stuk en er leeft niets meer, zelfs geen garnaal!!!

 

Dat doen mensen met grote boten, bromt Wally.

Ik heb die gezien toen ik eens boven in de zee was.

Met heel veel lawaai en een heel groot net, vangen ze alles

wat er op de bodem leeft. Zo maken ze alles kapot.

 

Dat alles kapot is, dat heeft Blobby zelf ook wel gezien.

Waarom doen ze dat? vragen Blobby en Berry zich verbaasd af.

Ze eten de vissen, krabben en kreeften op. De rest gooien ze weg,

weet Wally te vertellen. Dat heeft hij ook gezien.

 

 

Tekst                                   Jan Stel, voorzitter Sea First Foundation.

Illustratie            Ada Stel. Website: www.adastel.nl/

Ik ben Blobby met mijn vriendjes, deel 3

Ik heb je vast laten schrikken. Dat is niet de bedoeling.

Ga je mee een eindje zwemmen? Kruip maar op mijn rug.”

Dat lijkt Blobby wel wat. Hij klimt op de grote rug van Wally en zuigt zich vast.

Zo glijden ze samen door het water

tussen duizenden kwalletjes en garnaaltjes door,  over het rif,

langs een onderwaterberg,    naar de diepzee.

We gaan Berry zoeken bromt de zware stem van Wally.

Hou je maar goed vast en zeg het maar als het te koud wordt.

 

Blobby weet niet wat hij ziet.

Zijn kraaloogjes rollen bijna van verbazing uit zijn kop.

Overal zijn er lichtjes van vreemde vissen en andere dieren.

Hij vindt het prachtig.

 

Daar is Berry bromt Wally.

Vlakbij gaat ineens een lichtje aan, en zien ze de doorzichtige kop van Berry.

Wat een raar beest is dat zegt Blobby tegen Wally.

Die lacht. Nee hoor, Berry is niet raar. Hij is juist heel tof! We zijn dikke vrienden.

 

Blobby gaat op stap met Wally de walvishaai en ontmoet Berry de spookvis.

Nou ja, hij heeft toch wel een grappige kop, met die leuke oogjes, denkt Blobby.

Weet je bromt Wally, dat hij grote, gele ogen heeft die kunnen draaien?

Zo ziet hij altijd alles wat er gebeurt. Dat is nog eens handig.

Oei, denkt Blobby, die zwarte plekjes aan de voorkant zijn dus geen ogen, maar neusgaten!

 

 

Tekst                    Jan Stel, voorzitter Sea First Foundation.

Illustratie            Ada Stel. Website: www.adastel.nl/

Ik ben Blobby met mijn vriendjes, deel 2

Soms laten ze zich tot vlakbij de afgrond van de diepzee drijven.

Dat mag niet van papa en mama.

Ze vinden dat eng omdat er gevaarlijke stromingen zijn,

die hen mee kunnen sleuren.

 

Op een dag is Blobby in zijn eentje tot bij de afgrond gegaan.

Blobby ontmoet Wally de walvishaai.

Daar ontmoet hij Wally. Hij is een walvishaai! De grootste vis in de oceaan.

Hij is zo groot als een autobus en heeft een enorme, rechthoekige bek.

Iedereen is bang voor hem.

Blobby schrikt zich ook rot als hij hem voor het eerst ziet.

Het is net alsof er een grote, donkere schaduw op hem valt

wanneer hij met zijn vrolijke, kraaloogjes naar de diepzee staart.

 

Maar Blobby blijft doodstil zitten.

Hij kan, van schrik, geen vin meer bewegen.

Wat is dat daar zo vlak boven hem?

Wat glijdt, heel langzaam, over de rand van de diepzee?

 

Opeens draait het monster zich in een wervel van kolkend water om.

Twee, vriendelijke, kleine ogen kijken hem aan.

Wat ben jij lelijk! zei die met een zware stem.

En je ziet er ook helemaal niet lekker uit! Jou eet ik niet op, hoor!”

 

Ik ben helemaal niet lelijk, denkt Blobby.

Wie denkt dat gekke, grote beest, met zijn stomme bek, wel wie hij is?

Boos zegt hij: Ik ben Blobby, de blobvis!

Oh, nou, eigenlijk vind ik jou wel aardig. Ik ben Wally, de walvishaai

 

 

Tekst                                   Jan Stel, voorzitter Sea First Foundation.

Illustratie            Ada Stel. Website: www.adastel.nl/

 

Ik ben Blobby met mijn vriendjes, deel 1

Aan de andere kant van de wereld

woont Blobby, de blobvis, in de oceaan.

Samen met zijn mama en papa, broertjes en zusjes,

opa en oma, leven ze dicht bij een heuvel, diep onder water.

Blobby is de derde van links.

Wat is een blobvis?

Daar heb je vast nog nooit van gehoord.

Dat komt omdat je ze bijna nooit ziet.

Blobvissen leven honderden meters diep onder het zeeoppervlak,

waar mensen moeilijk kunnen komen.

 

Ze leven daar aan de rand van de grote diepzee.

Ze kunnen heel oud worden.

Ze groeien echter niet snel.

Eigenlijk worden ze niet groter dan de schoen van papa.

 

Blobby heeft heel veel broertjes en zusjes.

Misschien wel honderd; nee, wel duizend!

Samen spelen ze op de bodem van de zee

tussen de stenen, krabben, kreeften en koralen.

 

Ze houden zwemwedstrijdjes over de zeebodem.

Wie haalt het eerst een grote, rode koningskrab in?

Ze spelen verstoppertje tussen de stenen.

Of, nog leuker, wie rolt het snelst een onderwaterheuvel af?

 

 

Tekst                    Jan Stel, voorzitter Sea First Foundation.

Illustratie            Ada Stel. Website: www.adastel.nl/

 

ik ben een ZEILVIN snoekslijmvisje

Weet je waarom ik ZEILVIN snoekslijmvisje heet? Omdat ik als ik opgewonden ben mijn rugvin, die van juist achter mijn hoofd helemaal doorloopt tot aan mijn staart, als een zeil van een zeilbootje uit kan steken. Ik ga dan ook helemaal rechtop in het water “staan”. Ik sta natuurlijk niet echt, maar ik kan wel heel mooi bijna rechtop zwemmen. Ik doe dat bijvoorbeeld als er een ander mannetje (want onze vrouwtjes kunnen dat niet zo mooi als wij mannetjes) in de buurt komt. Ik heb daar een hekel aan, want ik ben de baas over het gebied waar ik mijn holletje heb en ik ben ook de baas van de vrouwtjes die in mijn omgeving wonen. Zowel onze vrouwtjes als wij als mannetjes, wonen in holletjes in dode stukjes koraal, in een van de openingen van een spons, of in een leeg kokertje van een spiraalkokerworm. Wij worden tussen de 3 en 5 cm groot en eten vooral hele kleine plantjes en diertjes, zoals plankton.

 

Meestal zie je alleen mijn hoofdje, maar als er dichtbij iets lekkers voorbij zweeft, of… wanneer er een mooi vrouwtje te versieren valt, dan kom ik uit mijn holletje. Op de foto, die Dos Winkel van mij maakte in Bonaire, zag ik een vrouwtje dat naar mij toe zwom. Dan ga ik helemaal “uit mijn dak” en laat ik duidelijk zien hoe mooi ik eigenlijk ben. Er is geen vrouwtje die dan niet vol bewondering naar mij kijkt.

Ik ben een Manta Rog

Ik ben een reuzenmanta, de grootste rog ter wereld. In het Spaans betekent manta “deken”. Dus ik denk dat je begrijpt waarom ze mij deze naam gegeven hebben. Want als ik mijn flappen spreid kan ik wel 7 meter breed zijn! Maar ondanks dat ik zo groot ben, doe ik je geen kwaad. We eten namelijk het liefst plankton, kleine garnaaltjes en visjes. Dus je hoeft niet bang voor mij te zijn. De meeste roggen vinden het lekker om vlak boven de zeebodem te scharrelen naar snacks in het zand, maar ik zwem liever door de open oceaan. Ik ben daarom ook een bijzondere en geliefde verschijning bij veel duikers. Ze vinden het fantastisch om mij door te open oceaan te zien cruisen.

 

En wist je dat, in vergelijking met ons lichaamsgewicht, wij de grootste hersenen hebben van welke vis dan ook? Wij reuzenmanta’s zijn dus hartstikke slim. Ja, daar kunnen dolfijnen jaloers op zijn! We herkennen elkaar aan de stippen op onze buik. Want elke reuzenmanta heeft een ander patroon. En we zijn ook een beetje mysterieus. Want soms springen we opeens flapperend uit het water, alsof we willen vliegen. Wetenschappers weten nog steeds niet waarom we dat doen. Ze denken misschien om te spelen, om een partner te zoeken, of om parasieten op ons lichaam kwijt te raken. Tja, ik ga het ze lekker niet verklappen!

Ik ben een platvis

Tong, schol, schar, griet, bot, tarbot en heilbot. Weet jij wat de overeenkomst is tussen al deze vissen? We zijn allemaal familie van elkaar! We horen namelijk tot de familie van de platvissen. Je kan ons vinden op de bodem van de zee. Maar dan moet je wel goed zoeken. Want om ons te verstoppen voor roofdieren nemen we de kleur van de zeebodem aan. En omdat we plat zijn, vallen we dus nauwelijks op. Wist je trouwens dat we niet plat geboren worden, maar rond? We zwemmen dan net als normale vissen in de zee. Aan elke kant van onze kop hebben we een oog. Maar na een paar weken krijgen we een platte vorm. Zelfs onze ogen verschuiven naar één kant van onze kop. We kunnen dan vanaf de zeebodem nog steeds alles met twee ogen zien. En zo passen we ons aan, aan een leven op de zeebodem. De meeste platvissen worden geboren hier in Nederland, in de Waddenzee. Het water is voor ons lekker warm en zijn er niet veel roofdieren. Maar de laatste jaren worden we steeds minder gevonden. Onderzoekers denken dat dit komt omdat het water in de Waddenzee langzaam warmer wordt. Daarom zoeken we het koudere water op, dieper in de zee. En omdat mensen ons lekker vinden, wordt er helaas ook veel op ons gevist. En niet met een hengel, maar met netten die over de bodem slepen en veel van de onderwaternatuur vernietigen. Als we aan boord gehesen zijn, worden we gestript. Dat betekent dat we levend opengesneden worden om ons bloed en organen te verwijderen. Maar wij gaan niet meteen dood. We kunnen nog 30 minuten in leven blijven. Het is een afschuwelijke dood. Daarom kan je maar beter geen platvis meer eten. Vraag je ouders om bijvoorbeeld een vegetarische burger te maken. Dan kunnen wij veilig op de zeebodem blijven leven. Dat wil jij toch ook?

Ik ben een Hengelaarsvis

Hey jij! Ja, jij daar! Ik zie jou wel, maar jij ziet mij niet. Of heb je me al gevonden? Ik ben Harry de Harige Hengelaarsvis en ik kom voor in de Lembeh Strait. En ja, ik weet het, ik ben niet moeders mooiste. Een beetje lomp, met een gekke mond en wratten over mijn hele lijf. Maar handig is mijn uiterlijk wel!
Ik ben namelijk een kampioen in camouflage. Ik pas mij aan, aan de kleuren van de koralen, rotsen en de sponzen om mij heen. Dat is erg slim, want zo hoef ik niet echt te jagen. Omdat ik niet opval, komt mijn prooi dicht in de buurt. En ik heb nog een slim trucje. Net boven mijn lip hangt een hengeltje. Het lijkt net of daar een wormpje, een garnaaltje of kreeftje aan hangt. Daarmee vis ik naar vis! Een onoplettend hapje hengel ik zo naar binnen. En dat doe ik razendsnel. Binnen zes milliseconden (zes duizendsten van een seconde) zuig ik mijn prooi naar binnen. Daarmee ben ik de snelste eter op de wereld! En omdat ik dus bijna onzichtbaar tussen de sponzen en de rotsen zwem, word ik zelf ook niet snel opgegeten!

 

In het Engels noemen ze mij de “kikkervis”. Dit komt door mijn vinnen, die lijken een beetje op kikkerpoten. Ik zwem niet zo goed, maar met die pootjes kan ik wel over de rotsen wandelen. Mensen hebben mij zelfs zien galloperen!

Ik kom over de hele wereld voor. In allerlei kleuren. Als je mij tijdens het duiken tegenkomt, denk je dat je mij zou herkennen?