Ik ben de grote fregatvogel

Een mannetje heeft een mooi nest gebouwd en lokt nu een vrouwtje met zijn opvallende rode borstzak.

Hey daar! Ik ben de grote fregatvogel. ‘Huh? Maar vogels zijn toch geen zeedieren?’ hoor ik je denken. Toch is dat wel zo! Ik ben namelijk een zeevogel. Dit is een vogelsoort die zich heeft aangepast op een leven in de buurt van de kust of in de zee. Wij vangen ons voedsel dus voornamelijk in de zee. Ik kom voor in tropische delen van de oceaan, zoals de Galapagos Eilanden! Maar ook ben ik te vinden in de Indische Oceaan en in het Zuiden van de Atlantische Oceaan.

Ik ben lichtgebouwd, maar zoals je misschien al in de naam hebt gezien ben ik best wel groot! Ik kan tot 105 centimeter lang worden en heb een spanwijdte van 205 tot 230 centimeter. Ik heb lange, smalle en puntige vleugels waarmee ik perfect over de warme zeeën kan vliegen. Bij onze soort is het vrouwtje groter dan het mannetje. Vrouwtjes hebben witte veren op hun borst en die van het mannetje zijn vaak paars-groen van kleur. Ook hebben vrouwtjes een rode oogring, die mannetjes niet hebben. In het broedseizoen kan het mannetje zijn opvallende rode zak op zijn borst uitzetten. De hele borst is dan roodgekleurd. Hiermee probeert hij vrouwtjes te versieren!

Toen de Duitse bioloog Johan Friedrich Gmelin in 1789 (232 jaar geleden!) mij voor het eerst beschreef, dacht hij dat ik een kleine pelikaan was. Hij gaf me daarom de wetenschappelijke naam Pelecanus minor (kleine pelikaan). Toen andere onderzoekers mijn naam later wilden aanpassen, mochten zij volgens de regels van de naamgeving van dieren alleen het geslacht aanpassen en niet het woordje minor (klein). Daarom heet ik nu Fregata minor. Terwijl ik dus helemaal niet zo klein ben!

 

Het is gelukt! Een vrouwtje is op de prachtige rode “ballon” van het mannetje afgekomen!

Wij, grote fregatvogels, gaan vaak op reis. Maar we keren altijd terug naar onze geboortekolonie om te broeden. Ik vind mijn voedsel tijdens mijn vliegreisjes over het oceaanoppervlak. Ik zoek naar voedsel binnen 80 kilometer van mijn broedkolonie of rustgebied. Vis vind ik erg lekker! Mijn lievelingsvisjes zijn vliegende vissen. Deze springen uit het water, en kan ik makkelijk vangen. Ook maak ik gebruik van scholen tonijn of dolfijnen die kleine vissen naar het oppervlak stuwen. Dit is een vangtechniek van veel roofzuchtige zeedieren, maar is natuurlijk ook erg handig voor mij! Ik land trouwens niet op het wateroppervlak. Als ik dit doe, is het erg lastig om weer op te stijgen. Naast vissen, ben ik soms ook op jacht naar kuikens van andere zeevogels. Uit onderzoek is gebleken dat alleen vrouwelijke of jonge fregatvogels op deze manier jagen. Gek hè?

We hebben een enorm verspreidingsgebied. Dit betekent dat we op veel verschillende plekken op de wereld voorkomen. Hierdoor is de kans op uitsterven heel klein. De grootte van onze populatie gaat wel achteruit, maar dit is minder dan 3,5 procent per jaar. Om deze reden staat de grote fregatvogel als niet bedreigd op de Rode Lijst van de Internationale Unie voor Natuurbescherming.

 

 

 

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel