Ik ben een doopvontschelp

Hey daar! Ik ben de doopvontschelp, maar word ook wel de reuzenmossel genoemd. Ik ben ontzettend groot. Sterker nog: het grootste weekdier van de oceaan! Een weekdier is een dier zonder wervelkolom, met een skelet, gemaakt van kalk aan de buitenkant. Dit skelet noemen we ook wel een schelp. Ik word omringd door niet één, maar twee schelpen. Ik kan een lengte bereiken van wel anderhalve meter en een gewicht van 250 kilo. Ook kan ik erg oud worden. Misschien nog wel ouder dan jij! Wij, doodvontschelpen worden namelijk ongeveer honderd jaar oud! Ik kom voor in de zuidelijke Grote Oceaan en de Indische Oceaan.

Net zoals veel schelpen, ben ik hermafrodiet. Dit betekent dat ik zowel man als vrouw ben. Tijdens de eerste twee tot zes jaar van mijn leven produceer ik alleen zaadcellen en de rest van mijn leven maak ik eicellen aan! Ik kan een miljard eitjes per keer spuiten! De bevruchting vindt niet binnen mijn lichaam plaats, maar daarbuiten. In het zeewater dus. Dit betekent dat de zaadcellen van een doopvontschelp uitgespoten worden over de eicellen van een andere schelp. Ik ben de eerste tijd van mijn leven een larve. Als ik heel jong ben, ben ik zo licht, dat ik door het water zweef. Maar na een tijdje, wordt mijn schelp zwaarder en zak ik naar de zeebodem. Daar groei ik uit tot een volwassen dier.

Kokkels

 

 

Wij, doopvontschelpen worden vaak vergezeld door algen. Zij zorgen ervoor dat we genoeg voedingsstoffen binnen krijgen. Mijn andere voedsel krijg ik door voedingsstoffen uit het water te filteren met mijn kieuwen. Misschien heb je op het strand in Nederland of België wel eens kokkels gevonden. Dit is eigenlijk een mini-versie van mij. Wist je dat we dezelfde voorouders hebben? Door de internationale unie voor natuurbescherming word ik als ‘kwetsbaar’ gezien. In de laatste paar jaar is het aantal van ons sterk afgenomen. Dit komt door overbevissing. We worden gevangen om gegeten te worden of voor gebruik in aquariums.

 

Tekst: Annika Verdam