ik ben een knorvis

Hi daar! Ik ben de Knorvis. Knor, knor! Vergis je niet, ik ben geen varkentje, maar ik maak een geluid met mijn keel dat een beetje lijkt op een knor. Dit geluid maak ik omdat ik knars met mijn keel en doe ik als ik in gevaar ben om vijanden af te schrikken. In het Engels word ik Sweetlip genoemd; dat betekent “Zoetlip” omdat ik zulke mooie dikke lippen heb.

Ik ben een vissoort die behoort tot de straalvinnigen, net als bijna alle andere bekende vissen in de zee. Dat betekent dat ik bot- of beenachtige stralen in mijn vinnen heb die mijn huid ondersteunen. Ik word ongeveer 30 centimeter lang en ben zilverachtig van kleur met smalle gele en blauwe strepen. Mijn kop is lang en ik heb een grote snuit. Net als een kameleon kan ik mijn kleur een beetje aanpassen aan de omgeving. Ik kan lichter en donkerder worden. Zo val ik minder op en kan ik me makkelijker verstoppen voor vijanden. Barracuda’s en haaien jagen op mij. Ik moet dus goed oppassen als ik ze zie. Maar ook voor vissers ben ik niet veilig. Ze gebruiken mijn vlees om op te eten. Daarnaast ben ik door mijn mooie, felle kleuren ook een populaire aquariumvis. Mijn lievelingseten is garnaal. Maar andere schaaldieren, ringwormen en weekdieren vullen ook mijn buikje wel!

Ik leef vaak in de buurt van mangroven. Deze bomen groeien in ondiep water en vormen mooie bossen die dicht aan de kust liggen. Ook begeef ik me in andere wateren in het westelijke deel van de Atlantische Oceaan: van de kust in het oosten van Amerika (Chesapeake Bay), via het Caribisch gebied en de Golf van Mexico tot aan Brazilië. Ik leef op een diepte van 0 tot 30 meter. Wij, knorvissen, zijn verwant aan een blauwgestreepte vissoort genaamd Neertje en het Roodbekje. We worden dan ook vaak in scholen met deze soorten gevonden!

 

De Franse natuuronderzoeker Bernard German de Lacépède was trouwens de persoon die ons, onze Latijnse, wetenschappelijke naam heeft gegeven, namelijk: Haemulon plumierii. Dat is best een moeilijke naam toch? We zijn vernoemd naar monnik en bioloog Charles Plumier.

 

Tekst: Annika Verdam

Foto’s: Dos Winkel