Ik ben een zeeleguaan

Hoi daar, ik ben de zeeleguaan! Ik ben een hagedis, maar wel een hele bijzondere! Ik ben de enige hagedis die zijn voedsel uit de zee haalt, ik eet namelijk alleen algen. Ik ben dus vegetariër! Ook leef ik in grote groepen, terwijl andere hagedissen dat vaak niet doen. O ja, ik kom trouwens alleen voor op de vulkanische rotsen van de Galapagos Eilanden. Dit is een eilandengroep in de stille oceaan. Ik weeg maximaal 15 kilo en ben gemiddeld 1,4 meter lang. Wist je dat mijn staart heel lang is? Mijn totale lengte bestaat voor meer dan de helft uit m’n staart. De kleur van mijn lichaam is zwart, maar mijn buik is wit. Verder word ik grijzer als ik ouder word, net als mensen! Ik heb een driehoekige kop, mijn lichaam is plat aan de zijkant en ik heb een duidelijke rugkam. Dit zijn een soort stekels op mijn rug. Het lijkt wel een beetje op een hanenkam en het zorgt ervoor dat ik sterk ben! Vergeleken met andere leguanen heb ik best wel een stompe kop. Dit komt omdat ik zo makkelijker algen van de rotsen kan schrapen. Ook zijn mijn tanden een beetje hoekig, waardoor ik de glibberige algen goed kan vastpakken. Ik heb korte poten, maar lange tenen en nagels. Deze helpen mij om me vast te houden aan de rotsbodem onder het water tijdens het zoeken naar eten. Mijn poten gebruik ik niet om te zwemmen. Ik maak namelijk een slangvormige beweging met mijn lichaam en staart om vooruit te komen. De poten houd ik dan dicht bij mijn lichaam. Ik ben overdag actief. Als ik niet op zoek ben naar eten, lig ik lekker te zonnebaden op een rots. Het is namelijk belangrijk dat ik goed opwarm voor ik weer het water in duik. Ik ben koudbloedig, dus als het ’s nachts of in de avond erg koud is, is het moeilijk om mijn lichaam snel te kunnen bewegen. Daarom schuil ik ’s nachts vaak in de spleten tussen de rotsen. Dat is ook de reden dat ik graag opwarm in de zon, anders kan ik namelijk niet goed bewegen in het koude water en zal ik verdrinken. Een duik duurt trouwens gemiddeld vijftien tot twintig minuten.

In december en januari begint de paartijd. De mannetjes worden dan een beetje bozig op elkaar en maken een territorium. Dat is een gebied waar alleen zijzelf en de vrouwtjes kunnen komen. Als er andere mannetjes in hun territorium komen, worden ze weggejaagd door ze met de kop weg te duwen. Als een mannetje met een vrouwtje heeft gepaard, worden de eieren onder de grond bewaard. Het vrouwtje graaft dan een gang onder de grond met aan het einde een kleine kamer. Hierin worden de eieren afgezet. De gang wordt dan afgedekt met zand en het vrouwtje blijft bij haar nest waken. Het duurt drie maanden voordat de eieren uitkomen. Na die drie maanden ziet het vrouwtje er zwak en mager uit. Ze heeft namelijk al die tijd niets kunnen eten! Uit het ei zijn de jongen ongeveer 23 centimeter lang. Ze hebben veel vijanden, zoals haaien, slangen en vogels. De jongen gaan nog niet de zee in, maar eten zeewier van de kust.

Op het land heb ik geen natuurlijke vijanden. Daarom blijf ik graag zo veel mogelijk op het land. In de zee heb ik namelijk wel vijanden, zoals haaien. Maar mijn grootste vijand is misschien wel de mens. Mijn huid wordt namelijk gebruikt om leer van te maken. Daarnaast ben ik ook helemaal niet bang voor mensen en dit is de reden dat ik regelmatig word meegenomen als huisdier.

 

tekst: Annika Verdam Foto’s: Dos Winkel